Euro-koppeling

De Bulgaarse lev is gekoppeld aan de Duitse mark. In Monaco is de Franse frank wettig betaalmiddel en San Marino hanteert de Italiaanse lire als nationale munteenheid. Landen die wisselkoersafspraken hebben met toekomstige lidstaten van de Economische en Monetaire Unie (EMU) krijgen na 1 januari met de euro te maken. Wat gebeurt er met die afspraken na de invoering van de nieuwe Europese munt? Volgens de Stafgroep Economisch Onderzoek van de Rabobank is daar op sommige punten nog onduidelijkheid over.

Het verdrag van Maastricht stelt dat wisselkoersafspraken voor de euro mogelijk zijn, maar dat ze de doelstelling van prijsstabiliteit binnen de EMU niet in gevaar mogen brengen, bijvoorbeeld doordat een EMU-land afspraken heeft gemaakt met een niet-EMU-land over een vaste onderlinge wisselkoers, of een maximale bandbreedte waarbinnen de wisselkoers kan variëren. Zo'n afspraak brengt de verplichting met zich mee elkaars munt te 'beschermen' en monetair in te grijpen als de koers buiten de bandbreedte dreigt te komen.

De munteenheden van lidstaten van de Europese Unie, die niet zullen opgaan in de euro - het Britse pond, de Zweedse kroon, de Griekse drachme en de Deense kroon - krijgen een nieuw 'wisselkoersmechanisme' (Exchange Rate Mechanism) met de euro dat vergelijkbaar is met het 'oude' ERM dat nu binnen de EU geldt: variabele wisselkoersen met een maximale bandbreedte van 30 procentpunten (15 procent onder en 15 procent boven de spilkoers). De EU-landen die serieuze plannen hebben om op termijn toe te treden tot de EMU, zullen zich aansluiten bij dit 'ERM-2', zo verwachten de Rabo-onderzoekers. Zweden en Groot-Brittanië hebben echter al laten weten dat voorlopig niet van plan te zijn.

Europese ministaten, zoals Vaticaanstad, San Marino, Monaco en Andorra, stappen op 1 januari 1999 zo goed als zeker over op de euro als muntstandaard. Ze kunnen niet anders, want ze hanteren nu munteenheden die na de vorming van de EMU niet meer bestaan. Vaticaanstad en San Marina slaan daarnaast ook eigen munten, maar bijvoorbeeld de Vaticaanse lire is gekoppeld aan de Italiaanse lire, net als een Luxemburgse frank gelijk is aan een Belgische frank. Voor de mini-staat Liechtenstein verandert niets: die hanteert de Zwitserse frank en Zwitserland is geen lidstaat van de EU.

De euro zal eveneens ingevoerd worden in overzeese gebiedsdelen van de lidstaten (zoals het eiland Mayotte voor Frankrijk en Groenland voor Denemarken), zodra het moederland toetreedt tot de EMU. Op de Nederlandse Antillen wordt de euro niet ingevoerd, omdat daar niet de Nederlandse maar de aan de dollar gekoppelde Antilliaanse gulden wettig betaalmiddel is. Die koppeling aan de dollar blijft gehandhaafd.

Enkele Oost-Europese valuta, zoals de Bulgaarse lev en de Bosnische kuna, zijn nu aan de Duitse mark gekoppeld. Andere Oost-Europese landen hebben hun munt gekoppeld aan een 'valutamandje' waarvan een aantal EU-valuta's of de ECU deel uitmaakt. Zij zullen naar verwachting overstappen op de euro. Voor de landen binnen de EMU heeft dit geen gevolgen, omdat geen enkele EU-lidstaat afspraken heeft gemaakt over 'bescherming' van de wisselkoers van één van deze landen. Zij hebben de koppeling aan een stabiele munt, meestal die van de belangrijkste handelspartner, eenzijdig afgekondigd om de eigen munt waardevast te houden. De nationale bank verplicht zichzelf de eigen munt onbeperkt op te kopen tegen de vastgestelde wisselkoers en zelf monetair in te grijpen als de waarde daalt. (JvB)