Enkeltje Haarlem

Niet alles is ineens anders, een enkel detail is verrassend gelijk. In Amsterdam zwom er in de Vondelparkvijver een grauwe gans rond die een heel seizoen het voortouw van een eendenfamilie nam. Statig voer hij aan de kop van het flottielje als de pulletjes uitgefriemeld waren langs de beschoeiing, en bracht zijn verre verwantjes naar het veilige midden. Hier in Haarlem is de soortelijke vergissing meer in zijn voordeel: in de Nieuwe Gracht passeert regelmatig een rij zwanen waartussen een gans. Het doet me goed zulke mesalliances ook te treffen in de stad waar ik naar verhuisd ben. Het is hier al rustig genoeg.

Rustig? Nou ja, overdag is het op deze gracht rustig, precies zoals ik mij dat gewenst had toen ik de Amsterdamse heksenketel de rug toekeerde en precies zoals mijn vrienden al vreesden toen ze me voor 'de provincie' waarschuwden. Maar 's avonds spoeden onder mijn raam horden 'provincialen' zich naar de enkele nachtgelegenheden die Haarlem rijk is, en rond drie uur in de morgen stroomt een uitgelaten menigte lallend en claxonerend weer terug naar dreven en landouwen. De smerigheid en grofheid op straat die ik jarenlang net als al die andere import-Amsterdammers voor feestelijk en grootstedelijk heb gehouden blijft hier echter binnen de perken. De helft van de oude generaties Amsterdammers woont inmiddels in Almere of Lelystad. Mijn trek naar het westen eindigt hier: na een kwart eeuw in Utrecht, een volgend kwart in Amsterdam, hoop ik in Haarlem mijn laatste kwartje op te maken.

Ik ben hier al eens op verkenning geweest. Toen ik vijf jaar was moest ik voor een tijdje het ouderlijk huis uit. Mijn vader had een dubbele middenoorontsteking en de angst bestond dat hij er aan zou bezwijken. Dat kon toen nog. Ik werd opgenomen in het gezin van een oom die een huis bewoonde in de velden even buiten Haarlem. Het was een hoog houten huis aan een vaart. Ik vond het vreselijk om van huis weg te moeten, en ik vond de pap die ik 's ochtends moest eten afschuwelijk, maar al snel ontdekte ik de voordelen boven het Utrechtse binnenstadswoninkje. Opeens hoefde ik niet meer naar de kleuterschool.

Aan het huis grensde een enorme schuur, waar ik vanuit mijn kamertje via een luik naar binnen kon klimmen. In het halfduister lagen daar duizenden bloembollen te wachten op hun beurt. Meestal was er geen mens en kon ik ongehinderd rondklauteren en rommelen met het gereedschap. Voor het huis liep een pad over een dijkje waar de deux chevaux van mijn oom met moeite zijn weg vond, maar waar ik mooi kon leren fietsen. Ik was terdege gewaarschuwd voor de diepe vaart waarover de pramen met mest en bloemen voeren, en toen ik dan ook een schuiver maakte met het fietsje was het in het slootje aan de andere kant van de dijk. Gelukkig hoorde de oude vioolbouwer die daar woonde mij schreeuwen en viste mij uit de modder. Thuis zette mijn oom mijn stinkend persoontje onverbiddelijk onder de pomp die ook in de schuur stond, hoe woedend ik ook protesteerde.

Ze zijn er nog wel, de vaart, de schuren en de bollenvelden. Maar de stad is dichterbij gekropen en het huis staat er goor en treurig bij. Bijna alle ramen dichtgespijkerd, en uit het enkele overgebleven venster klinkt de meest unheimische van alle muziek: 'house'. Veel bollenschuren eromheen zijn in tennishallen en caravanstallingen veranderd.

Maar de rafelrand van de stad is niet breed. Als ik de vaart afkijk, zie ik de hoge bomen van Elswout en de andere landgoederen langs de duinen. Daar kan ik altijd nog heen en tevreden draai ik mij om en fiets weer op Haarlem af, eerst koersend op de malle koepels van de Roomse Bavo-kerk aan de buitenkant, en vervolgens op de strenge stenen huif van de Hervormde Bavo in het hart van de stad.

'Haarlem-koopstad', die titel heeft het vorig jaar verdiend met, ja, met wat? Voor de verwende Amsterdammer die dan toch weer de kop opsteekt zijn eigenlijk alleen de verveloze antiekhandeltjes die overal verspreid door de stad zitten een punt in het voordeel, vergeleken met de poenerigheid van de Amsterdamse Spiegelstraat. Op zaterdag wordt de rust verstoord wordt door een parade van kooplustigen, op zoek naar dezelfde voordeeltjes die er elders ook zijn, maar hier zo aardig uitgestald liggen in straatjes en steegjes aan de voet van de oude Bavo. De hebzucht van de middenstand en zijn klanten heeft de stad nog niet in een rovershol veranderd. Voor mijn huis op de gracht is dus behalve voor parkeren ook ruimte voor de bruiloftsrituelen van de zilvermeeuwen. Met schorre kreten en diepe buigingen maken de paartjes elkaar het hof. Staande voor een autoportier. In het luchtverkeer zijn meeuwen natuurlijk ook de automobilisten. Geen gans zal zich ooit meeuw wanen.