Eieren jatten

Mijn eieren zijn weg. Alleen het doosje staat er nog. Een ernstige zaak. Op jatten uit de ijskast staat de maximale straf: het totale isolement.

De statenloze uit cel 98 weet wat het betekent. Een paar weken geleden is hij voor een paar tomaten gepakt. Geen hond die hem nog ziet staan, hij is vogelvrij. Als een melaatse zwerft hij door de gangen, prooi voor iedereen die er even op los wil rammen. Een terechte straf. Als je met dertig man één ijskast moet delen, heb je geen andere keus. Anders blijft er van het kleine beetje dat je nog hebt, helemaal niks meer over. En liefhebbers zat: vooral de illegalen die geen cent hebben en de junks die nooit genoeg hebben zijn eersteklas jatters.

“Heb je ze niet gemerkt?” fluistert Youssef. Aan ophef hebben we niks. Eerst moet zonder bewakersgezeik worden vastgesteld wie de dief is. Moeilijk moet het niet zijn. Ik heb de eieren aan de onderkant met een rode balpen aangestipt.

Snel doorzoeken we de schappen. Op schap 3 hebben we hem al. Het is de junk uit 90. Er zitten vier eieren in zijn doosje. Ze zijn alle vier van mij.

Hij schrikt als hij ons ziet aankomen. Een duidelijker bekentenis is er niet. De rest van het blok kijkt gespannen toe. Het nieuws heeft zich al verspreid.

“Zo eierjatter, tyfusjunk”, Youssef neemt het voortouw. In zulke dingen is hij beter dan ik.

“Ik geef ze wel terug, ik zweer het je.” Angstvallig kijkt hij naar de bewakers. Een vechtpartij is het laatste wat hij wil. Een paar dagen iso is voor hem de hel. Het is cold turkey, niks geen stuff, geen grammetje, alleen maar afzien, de schrik van elke junk.

“Ja, ja, dat zal wel”, sneert Youssef. Hij geeft hem een ram. De junk krimpt in elkaar. Even dreigt hij onderuit te gaan. Maar hij houdt zich staande. “Ach, die paar fucking eieren, eh, weet je wel, dat komt wel goed, doe niet zo strak”.

Er druppelt wat bloed uit zijn neus. Met de rug van zijn hand veegt hij het weg. Hij is nu helemaal alleen. Geen junk die hem nog steunt. “Kalm Youssef”, mompel ik. Een paar blauwen kijken al onze richting uit. We beginnen wat te mompelen en te lachen, alsof er niks aan de hand is, gewoon een praatje, en ook de junk doet volop mee. Intussen geeft Youssef hem nog een kopper. “Kankerdief.” Hij gaat neer. Het bloed gutst nu uit zijn neus.

“Onwel geworden”, zeg ik tegen een aanstormende bewaker. De junk knikt instemmend. Hij weet wat er staat op bewakersverraad. Dan kan hij het helemaal wel vergeten. Hij zal zijn leven niet meer zeker zijn.

“Eh, niks aan de hand, gewoon even een black-out, kan iedereen gebeuren”, lacht hij schaapachtig en krabbelt weer overeind. “Die klote stoelen ook.” Hij wijst naar zijn neus. Wantrouwig kijken de blauwen ons aan, fluisteren wat onder elkaar en nokken af.

“Oké junk, bij de volgende winkelbestelling wil ik mijn eieren terug, begrepen.” Ik bal mijn vuisten. “Ja, ja, daar kun je van op aan, hè, al dat gezeik om een paar eieren.”

“Einde recreatie”, brult een blauwe. Opgelucht strompelt hij naar zijn cel.