Een vergeetachtige superkapitalist; John D. Rockefeller (1839-1937)

Ron Chernow: Titan. The Life of John D. Rockefeller Sr. Random House, 774 blz. ƒ 71,50

In de zomer van 1855 was een jonge John D. Rockefeller op zoek naar een baantje in Cleveland. Hij had de beginselen van het boekhouden geleerd en zocht werk bij een groot tot middelgroot bedrijf. In pak trok hij van deur tot deur. Voor Rockefeller, die zestien was, was het zoeken naar werk een baan op zichzelf die hij dan ook zeer serieus nam. Het is 's zomers in Cleveland vaak dertig graden en vochtig, maar Rockefeller was onvermoeibaar. Toen hij na meer dan zes weken aan zijn derde ronde bezig was, had hij geluk. Eind september kon hij bij handelshuis Hewitt & Tuttle beginnen.

Dat hij systematisch en met eindeloos geduld te werk ging is typerend voor Rockefeller. Zo heeft hij de zaken zijn hele leven aangepakt. Hij bouwde van de grond af een olie-imperium op en was meedogenloos methodisch bij de expansie ervan, zowel door interne groei als door overnames. Hij wist bovendien van wanten met de concurrentie. Dat laatste is hem fataal geworden, want de manier waarop hij dat deed was allesbehalve legaal. Standard Oil werd door de overheid gesplitst wegens concurrentie-vervalsende praktijken, een mijlpaal in de geschiedenis van het kapitalisme. Rockefellers opbouw en uitbreiding van Standard Oil hebben de wereld praktisch alle onvermoede goede en kwade kanten van het kapitalisme laten zien.

De nieuwe monumentale biografie Titan door Ron Chernow laat eindelijk de volledige Rockefeller zien. Eerdere biografen waren ofwel tegenstanders of aanbidders van de gigant. Dat hij als persoon gehuld was in een waas van geheimzinnigheid leek ze ook geen reden om dieper in zijn privé-leven te duiken. De laatste grote biografie verscheen bovendien alweer veertig jaar geleden, en de opvattingen over Rockefellers leven en loopbaan zijn sindsdien veranderd. Chernow, gelauwerd auteur van boeken over de bankiershuizen Morgan en Warburg, kon gebruik maken van nooit eerder geopenbaarde documenten van de familie, en van een uitvoerig interview uit de jaren twintig (ongeveer 1.700 pagina's), dat had moeten dienen als voorbereidend werk voor een geautoriseerde biografie, die er nooit kwam.

Oliemagnaat

John D. Rockefeller, oprichter van Standard Oil en oliemagnaat, leefde in de eerste bloeiperiode van het internationale kapitalisme. Andrew Carnegie, J.P. Morgan en Rockefeller - geboren in respectievelijk 1835, 1837 en 1839 - groeiden in de tweede helft van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw uit tot industriële titanen, Carnegie in staal, Morgan in bankzaken en Rockefeller in olie. Rockefeller was misschien wel de meest rechtlijnige van de drie, een man die in zaken recht op zijn doel afging en publieke optredens schuwde. Toch komt hij uit de imposante biografie van Ron Chernow naar voren als een man met verschillende persoonlijkheden. Behalve keihard kapitalist was Rockefeller een gelovige Baptist, die zeer begaan was met het lot van de slaven en door de week zijn buurtkerk in Cleveland aanveegde.

Rockefeller kwam uit een gezin waarvan de vader de helft van de tijd afwezig was. Vader William Rockefeller was een kwakzalver die met zijn zalfjes en pillen de boer op ging, zich dokter noemde en Amerikanen voor 25 dollar genas van kanker. Eens in de zoveel tijd kwam hij onaangekondigd thuis met een dikke stapel bankbiljetten, die hij royaal uitgaf.

Moeder zat niet bij de pakken neer maar eiste tucht en orde. Het maakte van John een zelfstandige, vroegoude jongeman. Toen het gezin aan de grond zat, wendde hij zich tot zijn schoolhoofd voor hulp. Hij zei de man glashard dat zijn moeder weduwe was. Het was niet de laatste keer. Ook toen zijn moeder jaren later stierf en de vader verstek liet gaan op de begrafenis bezwoor Rockefeller de dominee om zijn moeder weduwe te noemen.

Overnames

Hij trouwde met Laura Spelman, toen een bruisende jongedame maar later vooral streng religieus. Het echtpaar kreeg drie dochters en een zoon. Ze werden beschermd opgevoed maar beslist niet verwend. De kinderen hadden later geen idee dat hun vader tot de allerrijkste Amerikanen hoorde. Rockefeller was privé niet de dorre, geldbeluste magnaat die hij vaak lijkt; hij was een vader die tijd had voor zijn kinderen en voor spelletjes met hen. In het openbare leven liet hij zich gelden als filantroop. Zijn erfenis bestaat onder meer uit het Spelman College, de eerste universiteit voor zwarte vrouwen, de Universiteit van Chicago en talloze fondsen voor medisch onderzoek en educatieve projecten.

Rockefeller de zakenman lijkt een ander mens. Hij was geobsedeerd door geld, zeggen tijdgenoten die hem al voor zijn twintigste kenden, en nam bij het opbouwen van zijn oliebedrijf risico's die zijn genie voor het doorzien van de industrie tonen. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd nog nauwelijks olie gevonden in de wereld, het belang van de grondstof was ook nog niet zo groot. Olie werd gebruikt voor lampen. De oliebranche in Amerika, vooral in Pennsylvania, was jong en ontwikkelde zich klassiek: kleine ondernemers, slecht transport en ongeorganiseerde distributie.

Rockefeller slaagde erin de hele sector van de grond af aan 'uit te vinden', te stroomlijnen en te concentreren. Hij sloot illegale prijsafspraken met spoorwegen om het transport te monopoliseren en de concurrentie te dwarsbomen; concurrentie zag hij als een hindernis, die een zakenman moest zien te verwijderen. In een poging zowel zijn collega's als de spoorwegen aan zich te binden bedacht hij de Southern Improvement Company, in feite een samenzwering van spoorwegen en raffinadeurs om de olieverwerking volledig te beheersen. De concurrentie werd medegedeeld dat ze zich moesten aansluiten, anders zouden ze kapotgeconcurreerd worden. Vervolgens bood Rockefeller een belachelijk laag overnamebedrag, en moesten de verkopende partijen een overeenkomst tekenen waarin ze beloofden nooit meer in de olie te gaan.

Zo nam Standard Oil in veertig dagen 22 raffinadeurs over, waarvan zes in een tijdsbestek van 48 uur. De SIC ging uiteindelijk niet door omdat de spoorwegen begrepen dat er een protest zou komen, en wellicht tegenmaatregelen van de kant van de politiek. Standard Oil was echter de grote winnaar. Omstreeks 1877 verwerkte het bedrijf negentig procent van alle geraffineerde olie. Ook de spoorwegen had het bedrijf in een ijzeren greep.

De dominantie van de olie-industrie door het bedrijf trok de aandacht van pers en publiek. Lees voor Standard Oil hier 'Microsoft' en voor spoorwegsector de 'pc-sector' en de parallellen tussen de titaan van de vorige eeuw en zijn tegenhanger in onze tijd. Bill Gates, mogen opmerkelijk heten. Rockefeller was destijds 38 jaar oud, Gates is nu de rijkste man van Amerika en 42 jaar. Omdat Titan uitkwam in de maand dat een grote anti-trustzaak van de Amerikaanse overheid begon tegen Microsoft, is een vergelijking tussen de twee titanen in de Amerikaanse pers al vaak gemaakt.

De macht van het Rockefeller-imperium was voor senator John Sherman de directe aanleiding om in 1890 een Antitrust Wet door het Congres te loodsen. In hetzelfde jaar begon de procureur-generaal van Ohio een proces waarin hij de ontbinding van Standard Oil eiste. De officiële reden was een formaliteit: Standard Oil was gevestigd in New York, maar de beheerders daarvan waren tevens eigenaar van Standard Oil in Ohio. Dat was verboden. De staat Ohio won, maar Standard Oil beperkte de schade door simpelweg de eigendomstitel van het bedrijf over te hevelen naar New Jersey en aandelen te houden in andere Standard Oil bedrijven. Dat mocht wel, voorlopig.

De antipathie tegen Standard Oil en het verzet tegen de zakelijke praktijken van het bedrijf begonnen echter toe te nemen. Standard Oil behield zijn greep op de markt door de prijzen laag te houden en de concurrentie uit de markt te prijzen met kortingen die alleen een monopolist zich kan veroorloven. Later verweerde Rockefeller zich met die lage prijzen tegen de beschuldiging van concurrentie-vervalsing: de consument had ervan geprofiteerd.

Halverwege de jaren negentig trok Rockefeller zich langzaam uit het bedrijf terug, na een periode van medische problemen. Hij droeg de dagelijkse taken omstreeks 1896 over, maar maakte zijn vertrek niet officieel bekend en bleef dan ook het gezicht van Standard Oil. Zijn persoonlijke bezit vervijfvoudigde in de decennia daarna, door de opkomst van de auto.

Vijf jaar na de veroordeling in Ohio bleek dat Standard Oil zich niet had geconformeerd aan de uitspraak. Het leidde tot een nieuwe rechtszaak waarbij ook Rockefeller werd opgeroepen te verschijnen. Hij bleek zich zo weinig te kunnen herinneren dat een krant sneerde: 'Rockefeller imiteert een oester'. De zaak liep in de rechtbanken dood, maar vestigde wel opnieuw de aandacht van publiek en politiek op Standard Oil.

Roosevelt

Een van de geïnteresseerden was Theodore Roosevelt, die in 1901 president werd en een grote rol voor de overheid zag bij de regulering van economie en maatschappij door wetgeving. Roosevelt begon in 1902 een anti-trustzaak tegen Northern Securities van J.P. Morgan. Een jaar later creëerde hij een overheidsdienst die toezicht moest houden op conglomeraten. Niet lang daarna kwam de onthulling dat Standard Oil zes telegrammen naar evenzoveel senatoren had gestuurd met het verzoek de vorming van die dienst te torpederen. De verontwaardiging was algemeen en Rockefeller senior kwam in een kwaad daglicht te staan, al waren de telegrammen gestuurd door zijn zoon, inmiddels actief in het bedrijf. Standard Oil probeerde een en ander goed te maken door Roosevelt te steunen bij zijn herverkiezing in 1904.

Roosevelt was dankbaar, maar niet lang. Hij zag in Standard Oil een perfect doelwit om een machtig en onpopulair concern aan te pakken. In 1906 kwam de aanval. De overheid beschuldigde het bedrijf van monopolistische praktijken, door illegale prijsafspraken, spionage, illegale overname van concurrenten en exlusiviteitscontracten. Standard Oil was toen twintig keer zo groot als zijn naaste concurrent Pure Oil en had een marktaandeel van 87 procent.

De zaak liep tot 1911, maar toen dolf Standard Oil alsnog het onderspit. Het mammoet-bedrijf werd opgesplitst en moest een boete betalen van 29 miljoen dollar. Rockefeller was golf aan het spelen toen hij de uitspraak hoorde. Hij zei tegen de man die naast hem stond: 'Heeft u wat geld? Koop dan nu aandelen van Standard Oil.' De opsplitsing heeft enkele van de grootste oliemaatschappijen ter wereld opgeleverd. Exxon, Mobil, Chevron, Amoco en Conoco, zijn de blijvende herinneringen aan John D. Rockefeller.

Rockefeller stierf in 1937, op 97-jarige leeftijd. Uit zijn nagelaten papieren blijkt geen spijt over zijn zakelijke praktijken, maar vooral verontwaardiging over de manier waarop hij door de overheid werd aangepakt. Bij het publiek was zijn imago, met het stijgen der jaren, allengs weer verbeterd. In een hoorzitting in New York over de werkwijze van Standard Oil, was hij opnieuw vergeetachtig en vaag. De woedende rechter maakte geen geheim van zijn ergernis over de vertoning, maar het publiek vroeg zich inmiddels af hoeveel kwaad deze mummelende oude man kon hebben gedaan.