Een typisch soort fundamentalisten

William Maley (ed.): Fundamentalism Reborn? Afghanistan and the Taliban. C. Hurst & Co. 253 blz. ƒ 63,70

De wereld wordt steeds eenvormiger, maar zo nu en dan botsen verschillende culturen frontaal op elkaar. Een van de frappantste voorbeelden daarvan is de confrontatie van het Westen met de Talibaan, de streng islamitische militie die in het grootste deel van Afghanistan de dienst uitmaakt. Vooral over de behandeling van de vrouw zijn beide zijden het hartgrondig oneens. Zoals de Amerikaanse Afghanistan-kenner Nancy Hatch Dupree stelt in haar bijdrage in de bundel Fundamentalism Reborn?: 'Beide staan rotsvast op fundamentele beginselen die de vrouw een waardige plaats in de samenleving garanderen. Toch staan ze mijlenver uit elkaar.'

Westerse waarnemers leggen doorgaans de nadruk op de in hun ogen zeer repressieve aard van het regime dat de Talibaan de vrouwen opleggen. Daarbij vergeten ze gemakshalve dat het ook voor de komst van de bebaarde strijders al niet best was gesteld met de rechten van de Afghaanse vrouw, zonder dat ze zich daar destijds ooit druk om maakten. Meewarig wijzen de Westerse critici nu op de richtijn voor de kleur van damessokken (niet te fel, anders wekken ze de hartstocht van mannen op), de verplichte, van top tot teen reikende spookgewaden, het verbod op meisjesscholen en op werken buitenshuis.

Hoewel Dupree die kritiek deelt, vraagt ze tevens aandacht voor de lokale context. Ze wijst erop dat de Talibaan de waarden van het achterlijke paternalistisch ingestelde platteland vertegenwoordigen. Op hun eigen manier hebben ook zij het beste met de vrouw voor. Volgens hen blijft de eer van een vrouw - in de traditionele Afghaanse maatschappij van het opperste belang - nu eenmaal het beste bewaard binnen de muren van het echtelijk dan wel ouderlijk huis. Uitstapjes buitenshuis van meisjes en vrouwen moeten dan ook tot een minimum worden beperkt en mogen, als daaraan niet valt te ontkomen, slechts in goed ingepakte staat plaatsvinden.

Terecht stelt de Amerikaanse bovendien dat de meeste vrouwen, vooral op het platteland waar de meerderheid woont, niets vreemds zien in deze opvattingen. Al eeuwen voor de Talibaan de macht grepen, waren zulke regels van kracht. Hun leven draait om andere dingen. 'Via moederschap, de creativiteit van handwerk en een doelmatig beheer van het huishouden bereiken plattelandsvrouwen status en een gevoel van persoonlijke voldoening', schrijft Dupree.

Tragisch daarentegen is de situatie voor de veel kleinere groep meisjes en vrouwen in de steden, vooral de elite in het ontwikkelde Kabul. Dupree verhaalt hoe zij de afgelopen decennia gewend waren geraakt aan vrijheid en kansen om zichzelf buitenshuis te ontplooien. Daaraan is door de Talibaan radicaal een eind gemaakt na hun inname van de stad in 1996. De meisjes en vrouwen van Kabul, Herat en andere steden zijn plotseling in een pijnlijk isolement geraakt en kunnen zich nauwelijks meer ontwikkelen. Dat geldt voor geen categorie sterker dan voor de vaak nog heel jonge oorlogsweduwen, die geen eigen bron van inkomsten meer hebben. Hun toch al moeizame bestaan is door de maatregelen van de Talibaan uitzichtloos geworden. Ze mogen niet zelf buitenshuis de kost verdienen, maar moeten toch op een of andere manier voor hun kinderen zorgen. Honger is vaak hun deel. Sommige leiders van de Talibaan doen hun geloofwaardigheid intussen geen goed door hun eigen dochters heimelijk in het buurland Pakistan naar school te sturen. Dupree verwijst naar onbevestigde berichten hierover in een voetnoot.

De bundel bevat ook andere bijdragen, die een verhelderend inzicht bieden in de opkomst en de opvattingen van de religieuze studenten. Jammer is wel dat de auteurs buitenlanders en ballingen zijn, die als gewantrouwde buitenstaanders maar een beperkte toegang hebben tot de Talibaan. Daardoor blijft er een waas van geheimzinnigheid over hen hangen.

De Australische journalist Anthony Davis gaat in op de vraag hoe de Talibaan in 1994 uit het niets opkwamen en in recordtijd grote delen van het land aan zich wisten te onderwerpen. Vaak is gesuggereerd dat de bevolking de eindeloze factiestrijd en de corruptie van het mujahedeen-bewind (de opvolger van het communistische regime) zo beu was dat ze en masse de Talibaan omarmden. Veel lokale aanvoerders zouden zich daarnaast voor geld hebben laten omkopen om zich achter de Talibaan te scharen.

Volgens Davis is die versie maar zeer ten dele waar. De Talibaan moesten het volgens hem niet in de laatste plaats hebben van hun militaire kracht. Het studentenleger was uiterst mobiel en deinsde er niet voor terug ook 's nachts manoeuvres uit te voeren. Bovendien toonden militaire deskundigen zich onder de indruk van de efficiënte bevelsstructuur van de militie en van de precisie van hun artillerie- en mortiervuur.

In militair opzicht waren de Talibaan al in een vroeg stadium zo goed georganiseerd dat zich onontkoombaar de vraag opdrong waar ze die deskundigheid vandaan hadden. Hoewel hij niet met overtuigende bewijzen op tafel komt, wijst Davis - net als anderen voor hem - met de beschuldigende vinger naar het buurland Pakistan, en wel in het bijzonder naar de ISI, de machtige militaire inlichtingendienst. Inderdaad lijkt het waarschijnlijk dat de ISI mede de hand heeft gehad in de opkomst van de Talibaan. Hetgeen overigens niet betekent dat de Pakistanen de Talibaan nog steeds controleren, want hoewel Afghanen graag buitenlandse hulp aanvaarden gaan ze uiteindelijk altijd hun eigen, vaak zeer onvoorspelbare weg.

Davis rekent bovendien af met de mythe dat de Talibaan meteen overal even populair zouden zijn geweest in de gebieden die ze 'bevrijdden'. Dat was wel het geval in de zuidelijke stad Kandahar maar elders veel minder. De leiders van de mujahedeen waren ook lang niet overal even corrupt en hadden in sommige streken een tamelijk goed functionerend bestuur opgezet.

Belangwekkend is ook de bijdrage van de Franse Afghanistan-deskundige Olivier Roy. Hij toont aan dat de Talibaan weliswaar fundamentalistisch zijn maar volstrekt niet op één lijn kunnen worden geplaatst met veel hedendaagse Arabische islamitische fundamentalisten, en zelfs niet met de Afghaanse fundamentalisten uit de jaren zeventig en tachtig, die zich fel verzetten tegen de communistische regering. De Talibaan zijn minder politiek en veel traditioneler geöriënteerd. Voor hun voorgangers waren controle over de staat en politieke macht cruciaal, de Talibaan daarentegen hechten veel meer waarde aan een strikte invoering en naleving van de shari'a, het islamitische recht. Ook zijn ze sterker verankerd in de Afghaanse stammenmaatschappij dan de leiders van de mujahedeen. De meeste Talibaan zijn Pathanen, die de grootste afzonderlijke stam van het land vormen. Juist onder Pathanen bevindt zich hun aanhang.

In tegenstelling tot de meeste andere fundamentalisten zijn de Talibaan bovendien nauwelijks geïnteresseerd in het buitenland. 'De Talibaan hebben geen buitenlandse politiek', schrijft Roy. Daarom is de angst voor het overslaan van het Talibaan-fenomeen naar buurlanden ook ongegrond, meent hij: 'de beweging is strikt Afghaans, Pathaans en tribaal. Zij (de Talibaan) vormen de uitdrukking van een vreemdsoortig fundamentalisme, dat ongeschikt is voor de hedendaagse islamitische wereldgemeenschap die zij denken te belichamen.'