Debuut van Philibert Schogt; Tussen extase en vertwijfeling

Philibert Schogt. De wilde getallen. De Arbeiderspers, 187 blz. ƒ 29,90

Het is altijd een genoegen om een vakman te lezen. Iemand die weet hoe hij een verhaal moet vertellen, die de lezer al op de eerste bladzijde bij de lurven pakt om hem pas op de laatste weer los te laten, zonder dat verveling of ergernis over kromme zinnen onderweg een kans heeft gekregen. Zo'n vakman is Philibert Schogt (1960) in zijn debuut De wilde getallen, dat een klassieke opbouw kent. De roman begint op een kritiek moment, in de volgende hoofdstukken wordt verteld hoe het zover heeft kunnen komen, en daarna komen we te weten hoe het afloopt, met nog een kleine verrassing aan het slot.

Eigenlijk past zo'n overzichtelijke opbouw beter bij een verhaal of een novelle. Voor een roman is het misschien een wat al te strak en voorspelbaar keurslijf, maar een vakman die iets te vertellen heeft, moet ermee uit de voeten kunnen. Wat dit laatste betreft lijkt Schogt niets te wensen over te laten. Het probleem van de 'wilde getallen' waarmee zijn hoofdpersoon worstelt, mag beslist een vondst heten.

Alleen al het woord! Wilde getallen - dat wekt associaties met diepste diepten en hoogste hoogten, met troebele raadsels en verborgen mysteriën. Door een Franse wiskundige uit de negentiende eeuw, Anatole Millechamps de Beauregard, zou het probleem voor het eerst zijn geformuleerd, maar afgeleid door drank en vrouwen was hij er niet in geslaagd het op te lossen. Dat lukt pas in deze roman. Isaac Swift heet de gelukkige, een 35-jarige, enigszins in de versukkeling geraakte wiskundige die doceert aan een Amerikaanse universiteit.

Toch blijven de wilde getallen uiteindelijk een mysterie, zij het niet omdat de wiskunde de lezer boven de pet gaat. Ook wie nooit een voldoende voor algebra of meetkunde heeft gehaald, kan het verhaal moeiteloos volgen. De nadruk ligt niet zozeer op de wiskunde, als wel op de betekenis ervan voor de hoofdpersoon. De abstracte zekerheden van de mathematica, zo blijkt, zijn voor Swift het middel om aan de perikelen van het aardse leven te ontkomen: de scheiding van zijn ouders, de jaloezie jegens zijn jongere broer, en - later - zijn falen in de relatie met Kate, die hem verwijt dat al zijn gecijfer enkel dient om zich te verstoppen voor zijn 'diepste gevoelens'.

In de loop van het verhaal krijgt zij van Schogt gelijk. Maar wat nog pijnlijker is: de geniale oplossing van het probleem der wilde getallen, die Swifts leven voorgoed uit het slop had moeten halen, blijkt op een cirkelredenering te berusten. Na een opwindend verblijf in het hooggebergte van de geest (alpinistische metaforen zijn schering en inslag in De wilde getallen) tuimelt de wiskundige die even dacht de top te hebben bereikt, terug in het laagland van de 'gewone' werkelijkheid.

De verrassing is dat het echec hem niet tot wanhoop brengt. De klim naar de besneeuwde toppen pakt eerder uit als een loutering, en wat hij in de wiskunde vergeefs heeft nagejaagd, valt hem nu in de schoot: gewond en vernederd is hij voor het eerst de 'ster' op het feestje van zijn vrienden, van alle kanten regent het sympathiebetuigingen en aan de horizon doemt bovendien een nieuwe geliefde op.

De weinig opzienbarende moraal van het verhaal is moeilijk mis te verstaan: 'verheven ambities' kunnen beter worden ingeruild tegen een meer realistische kijk op de dingen. Het alternatief is de waanzin, in de roman belichaamd door een oudere student, meneer Vale geheten, wiens krankzinnige theorieën de uitgebluste Swift opnieuw op het spoor van de wilde getallen hebben gezet. Wie zijn maat te buiten gaat, eindigt in het gekkenhuis, tenzij hij er zo over denkt als Swifts frivolere jeugdheld Beauregard, die ooit moet hebben gezegd: 'Zodra ik een mysterie omarm, wordt het alledaags en banaal'.

Een andere uitspraak van deze (naar ik aanneem door Schogt verzonnen) Beauregard luidt: 'In alle getallen zit een wild getal verborgen, dat tevoorschijn komt als je ze maar lang genoeg provoceert'. In de roman gaat dat zonder meer op voor de hoofdpersoon, wat nog eens onderstreept hoe goed de auteur weet wat hij doet: Swifts 'wilde' kant komt naar boven, in de vorm van een herleefde ambitie, nadat hij door de gek Vale uit zijn tent is gelokt. Maar de andere uitspraak blijkt niet minder te kloppen: zodra het mysterie is omarmd, wordt het onherroepelijk alledaags en banaal.

Helaas slaat ook dat terug op de roman. Schogt weet de dwaze Vale aanstekelijk te portretteren, en hetzelfde geldt voor de wankelmoedige Swift, voortdurend balancerend tussen extase en vertwijfeling terwijl hij naar zijn oplossing speurt. Maar de al te obligate ontknoping stelt teleur: alles wordt weer tot normale proporties gereduceerd, het was maar gekkigheid. En de ironie van het echec dat in een succes verandert, is daarna niet voldoende om die teleurstelling weg te nemen.

Opeens worden de beperkingen zichtbaar van een vakmanschap dat zichzelf de onvermijdelijk riskante gang naar het 'hooggebergte' heeft ontzegd. Zo illustreert Schogts verhaal - ditmaal onbedoeld - zijn eigen manco. Op het mysterie dat de literatuur kan zijn houdt de schrijver zo'n klemmende greep, dat er buiten die ongenaakbaar gebleven 'wilde getallen' niets raadselachtigs ontstaat. Hij bewijst slechts dat hij vaardig een verhaal kan vertellen, zonder in dat verhaal méér dan zijn kunde op het spel te zetten.

Swift verwacht dat de oplossing van het probleem der wilde getallen eindelijk de 'angel' uit zijn treurige leven zal verwijderen; bij Philibert Schogt is het de - in weerwil van de Amerikaanse setting - oerhollandse nuchterheid die ervoor zorgt dat een bedreigende 'angel' in zijn roman ontbreekt. Met als gevolg dat de lezer wél wordt geamuseerd, maar geen moment wordt gestoken.

Uit: Philibert Schogt: De wilde getallen:

Ik heb altijd een hekel gehad aan interviews met bekende mensen. Door hun succes lijkt alles achteraf zo gemakkelijk, elke willekeurige stap zo betekenisvol. Maar al rennende door het park kon ook ik ineens alles zien in het licht van mijn recente prestatie. Er had een soort copernicaanse revolutie plaatsgevonden. Voordat ik het Wilde Getallen Probleem had opgelost, leefde ik in een staat van verwarring, wanhopig op zoek naar verklaringen voor mijn vreemde gedachtesprongen. Nu, nu mijn briljante stelling het stralende middelpunt van mijn heelal was geworden, viel alles op zijn plaats. Zelfs mijn meest pijnlijke herinneringen beschreven een keurige baan rond de pasgeboren zon en weerkaatsten zijn wonderschone licht. Mijn leven was zo eenvoudig geworden als vijf plus drie.