De wetenschap in de kunst; Het verstand laat zich nooit uitschakelen

Wetenschappers zijn banger voor kunst dan kunstenaars voor wetenschap. In het Trippenhuis in Amsterdam dringt de kunst als het ware de wetenschap binnen. Maar grijpt de wetenschap die uitgestoken handen ook? “Of denken ze: Kunst! Niet aanraken!”

Sporen van wetenschap in kunst is nog tot en met 16 augustus te zien in het Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29, Amsterdam, 020-5510700

Hoe erg zou het zijn geweest als Picasso niet had geleefd en wij het zonder het kubisme hadden moeten stellen?

Helemaal niet erg, althans niet erger dan dat wij het nu zonder het cellulisme en het claquisme moeten doen. De kunst had er heel anders uitgezien wanneer de genieën, die deze twee stromingen zonder twijfel tot grote hoogte zouden hebben gebracht, niet te beroerd waren geweest om geboren te worden. Dat hebben zij jammergenoeg verzuimd, wij weten nu niet eens hoe zij heten. Wel kunnen wij aannemen dat zij, als vroeg-twintigste-eeuwse kunstenaars, niet zouden zijn ontsnapt aan een of andere vorm van abstractie. Abstractie hing destijds in de alles overkoepelende lucht. Dat eerste abstracte schilderij was er vroeg of laat toch wel gekomen, ook als Kandinsky het niet geschilderd had.

De ontwikkeling van de kunst is niet afhankelijk van individuele kunstenaars maar beweegt mee met de grote geschiedenis. Wie de kunst alsmaar terugstopt in haar uniciteit verlamt haar. Onlangs gebeurde het weer op een symposium over kunst en wetenschap, georganiseerd door de 190-jarige Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.

De hele sfeer was daar nogal vreemd trouwens: er waren geen vrouwen (alleen gastvrouwen), geen mensen onder de vijftig (alleen oude mensen onder de vijftig) en geen kunstenaars (alleen op het podium). Levendigheid was ver te zoeken. Geen moment was te merken dat de hedendaagse wetenschap 'wanhopig hoopt op een beetje artistiek elan', zoals de voorzitter het uitdrukte. Voor de meeste wetenschappers die het woord voerden leek de kunst een soort maîtresse: ze waren onder de indruk van haar schoonheid maar zouden nog geen dag met haar kunnen leven.

Ook de kankerspecialist Piet Borst demonstreerde deze mengeling van bewondering en misprijzen. Hij was het die met het verhaal van de unieke kunstenaar op de proppen kwam. Het ging, samengevat, zo:

Een groot kunstenaar is uniek, eenmalig en onvervangbaar, omdat hij iets geheel nieuws creëert. Hij is superieur aan de beste wetenschapper, die niet uniek en niet onvervangbaar is, omdat hij slechts ontdekt wat altijd al aanwezig was in de wereld.

Veel eer dus voor de kunstenaar, maar daar stelde de spreker iets tegenover: dat er voor kunst 'geen biologische basis' is.

Zoiets moet onuitstaanbaar zijn voor een biomedisch onderzoeker. De mens weten te ontrafelen tot op het bot en nog aanzienlijk verder, en nooit ook maar het kleinste kunstknobbeltje vinden!

Zou Picasso het kubisme ook uitgevonden hebben als hij in de eeuw van Velázquez had geleefd? Als Picasso inderdaad uniek was, dan zeker, want waarom zou hij zich dan iets hebben aangetrokken van de tijd? Maar Picasso was behalve uniek ook slim. Hij zou zich nooit voor een paar schilderijtjes in een inrichting hebben laten opsluiten. Pech voor Borst, want in de zeventiende eeuw zou het kubisme veel nieuwer en unieker en eenmaliger zijn geweest dan het in onze eeuw was. Het twintigste-eeuwse kubisme was niet nieuw, het was gedeeltelijk nieuw. Het kon als nieuw herkend worden, juist omdat het zoveel bekends in zich had.

Als de kunst, om superieur te zijn aan de wetenschap, slechts nieuwe dingen hoefde te maken, zou zij allang binnen zijn. Iets volkomen nieuws maken, iets dat nog nooit, nergens en in geen enkele vorm heeft bestaan, is onder alle omstandigheden een onmogelijkheid. Maar een nieuwe combinatie maken van bestaande dingen is helemaal niet moeilijk.

Dromen

William Calvin, een neurofysioloog uit Washington die veel heeft geschreven over hersenen en evolutie, publiceerde in 1995 een artikel met de titel How to think what no one has ever thought before. Meteen in de eerste regel geeft hij het antwoord op die titelvraag: doe een dutje en droom. Onze dromen zitten immers vol originaliteit, net als ons lichaam en de natuur, waarin ook voortdurend oneindig veel nieuwe variaties worden uitgeprobeerd. Iets nieuws bedenken is een fluitje van een cent. Wat is dan het probleem? De kwaliteit van dat nieuwe! Wij moeten voortdurend schiften, de natuur doet dat ook. Calvin geeft het voorbeeld van menselijke zwangerschappen, waarvan maar liefst tachtig procent door de natuur zelf wegens gebrek aan kwaliteit wordt afgebroken, doorgaans in het prilste stadium al, zonder dat iemand het merkt.

Grote kunstenaars zijn niet groot omdat ze veel nieuwigheden produceren, maar omdat ze goed onderscheid kunnen maken. Grote kunstenaars zijn grote schifters. Als geen ander weten ze de vele nieuwigheden te beoordelen op kwaliteit.

Wat hebben ze dat anderen niet hebben?

De schilder Jan Dibbets, die op het symposium mocht optreden namens de beeldende kunst, gooide alles op de intuïtie. “Kennis heeft aanvankelijk de intuïtie gevoed,” zei hij, “maar tijdens het creatief proces dient het verstand de knecht te zijn van de intuïtie en niet andersom. Niet de ratio maar de intuïtie is het enige betrouwbare kompas van de kunstenaar.”

Het was net een atletiekwedstrijd. Ratio stopt Intuïtie eerst vol met krachtvoer om zijn spieren en hormonen in een optimale conditie te brengen. Dan, tijdens de race, speelt hij voor gangmaker en loopt voor Intuïtie uit om het tempo erin te houden. Maar hij weet zijn plaats en op het beslissende moment doet hij een stap opzij. Intuïtie bedankt hem met een klein handgebaar en gaat er als een speer vandoor, wetend dat hij nu op eigen houtje verder moet.

Zou Dibbets werkelijk denken dat die Ratio zich zo makkelijk van de baan laat zetten? Zou hij echt geloven dat hij, Dibbets, bij het maken van een kunstwerk in enig stadium zijn verstand kan uitschakelen?

De wetenschappers vroegen het hem niet. Er was niemand die riep: Valse Romantiek! Op dit symposium ging het niet om de confrontatie, maar om het bevestigen van de apartheid. Nadat Jan had gezegd dat in de kunst alles draait om het intuïtieve, zei Piet dat er in de wetenschap geen vooruitgang is zonder 'het contra-intuïtieve'.

Wat een verademing was het, bij al dat ingraven, dat de kunstenaar Famke van Wijk haar zo doortastende handen naar de wetenschap uitstak! Maar dat was later en elders, bij de Akademie van Wetenschappen thuis. Voormalig Stedelijk Museumdirekteur Wim Beeren had daar in de mooiste kamers een tentoonstelling ingericht onder de titel Sporen van wetenschap in kunst.

Van Wijk komt vol zelfvertrouwen binnen, niet door de voordeur maar via een lichthof. Door de ramen aan deze lichtschacht heeft zij, op drie etages, reikende onderarmen gestoken, en in het verlengde daarvan bazuinen opgehangen. De armen en bazuinen, transparant en bloedkleurig, lijken hard als glas, maar blijken bij aanraking plastisch. Handen en polsen bevinden zich aan de binnenkant van de (ongebroken) ruiten, de rest aan de buitenkant.

Tikken

Kan het duidelijker, deze handreiking? De kunst, meegereisd met het bovenlicht en begeleid door klaroengeschal, staat voor de ramen van het huis der wetenschap en aarzelt niet. In plaats van smekend op de ruiten te tikken, steekt zij haar armen er doorheen. Als in een wonder breekt het glas niet, zodat het lijkt of er helemaal geen glas meer is en de scheiding meteen al is opgeheven.

Een groot en trefzeker gebaar, dat toch niet overdondert (de titel luidt ook bescheiden The Undertone), en dat de wetenschappers des te meer uitdaagt.

Maar grijpen ze die handen ook? Of denken ze: Kunst! Niet aanraken!

Wetenschappers hebben vaak iets van hersenpatiënten met voorhoofdskwabletsel. Antonio Damasio, hoogleraar neurologie aan de universiteit van Iowa, beschrijft in zijn boek De vergissing van Descartes (1994) een aantal van die patiënten. Zij hebben meestal een onaangetaste intelligentie en doen het op alle IQ-testen goed. Hun persoonlijkheid is echter wel beschadigd, met als gevolg dat ze zich in de praktijk genadeloos in hun intelligentie kunnen verliezen, en maatschappelijk niet goed meer functioneren.

Damasio schetst hoe een van zijn patiënten, op een winterse dag met spekgladde wegen, feilloos naar zijn laboratorium komt rijden. Achteraf beschrijft hij precies hoe hij zijn auto over de ijsvlaktes stuurde. De patiënt vertelt zijn verhaal even koel en zakelijk als hij blijkbaar gechauffeerd heeft, en dat blijft zo wanneer de mede-weggebruikers ter sprake komen die hij met auto en al in de greppel heeft zien glijden. Van zijn hersenletsel lijkt hij tijdens de bizarre rit slechts voordeel te hebben gehad.

Maar als hij bij het weggaan een nieuwe afspraak moet maken en de keuze krijgt uit twee data, begint hij, in alle ernst, een eindeloze lijst op te sommen met de voor- en nadelen van beide dagen, een complete kosten-batenanalyse tot in de kleinste details.

“Dit gedrag illustreert de beperkingen van de zuivere rede,” schrijft de dokter, die met zijn hersenonderzoek, en niet als enige, knaagt aan de door Descartes opgebouwde scheidsmuur tussen lichaam en geest. De geest, aldus Damasio, bestaat bij gratie van het lichaam. Er bestaan wel organismen zonder brein, maar organismen die louter uit brein bestaan zijn er niet. Hersensystemen die te maken hebben met het denken hangen zo nauw samen met gevoelssystemen, dat neurologisch gezien Pascal veel dichter bij de waarheid zat dan Descartes. Pascal zei: “Het hart heeft redenen waarvan de rede geen weet heeft”, een uitspraak die door Damasio vertaald wordt in: “Het organisme heeft redenen waarvan de rede gebruik moet maken.”

Die van Pascal is mooier, maar Pascal was dan ook een kunstenaar. De kunst heeft blijkbaar redenen waarvan de wetenschap geen weet heeft.

Vooral vormredenen! Dat wordt eens te meer duidelijk in het videowerk Upper and lower part I, II, III van Yvonne Fontijne, eveneens te zien op de tentoonstelling Sporen van wetenschap in kunst. Ook dit werk doet een handreiking naar de wetenschap, maar dan figuurlijk. Op het eerste gezicht lijkt het een animatiefilm over moleculen in interaktie, in werkelijkheid zijn het de geabstraheerde bewegingen van dansers. Via sensoren werden die bewegingen doorgegeven naar een computer, waarop de kunstenaar van de verzamelde punten en lijnen een serie driedimensionale figuren heeft gemaakt.

De vormgeving van dit werk is zo sterk dat het gaandeweg steeds meer lijkt te representeren. Je kijkt ernaar zoals de grote Muybridge door zijn camera moet hebben gekeken en een complete wereld zag, juist doordat hij niets anders wilde zien dan hoe het lichaam bewoog bij het lopen.

Fontijne hoopt door het analyseren van bewegingen de hersenen beter te gaan begrijpen. En waarom niet? Als archeologen uit een paar gevonden voorwerpen een verdwenen samenleving kunnen reconstrueren, en genetici aan de hand van iemands paspoort zijn toekomst kunnen voorspellen, waarom zou de kunst dan niet via de dans in het brein kunnen doordringen?

Het enige verschil met de wetenschap is dat de kunst zoiets nooit zou doen om de mensen te genezen van hun voorhoofdskwabletsel.