De ruimtelijke overpeinzingen van Paul Kubic; Steen erkent geen zijwegen metaal wel

De Amerikaanse beeldhouwer Paul Kubic, wiens werk te zien is in het Brabantse Eersel, maakt omvangrijke metalen scheppingen met eindeloos veel details. “Soms hebben ze de trekken van een nachtmerrie.”

Beelden van Paul Kubic en anderen, tot 23 augustus in Kunstzaal de Hoge Hees, tussen Eersel en Steensel. Woensdag t/m zondag van 11-18 uur.

De bizarre stalen en bronzen fantasieën, al of niet beschilderd, soms kubieke meters vullend, van de Amerikaan Paul Kubic vallen in Eersel het eerste op. Kubic (58) is daar een van de zeven beeldhouwers, wier werk de buiten-expositie uitmaakt van Kunstzaal De Hoge Hees. Natuur en Sculptuur heet de opstelling. Het is deze zomer de 28-ste keer dat beeldhouwers van uiteenlopende stijl en leeftijd zich op het grote gazon en in het bijbehorende stuk dennenbos kunnen presenteren. Er is ook deze maal mooi werk te zien, onder meer de stenen totems van Marcus Bundervoet, die als geheimzinnige grafstenen tussen de stammen van het bos staan. Of de samengebalde vrouwennaakten van Anita Nuñez Larraz. Haar figuurtjes trekken zich in een beschermende foetushouding terug in bijvoorbeeld een krans van bronzen bloemen. Ook de eikenhouten vliegende vissen van Henk Slomp die een hoge hemelbaan volgen, trekken de aandacht.

Toch zal het mij hier verder gaan om Paul Kubic, de Amerikaanse zoon van een Poolse vader en een Ierse moeder, die trouwde met een Nederlands meisje en zich daarom een kleine tien jaar geleden tussen ons vestigde in 's Graveland, waar een voormalige bakkerij en de zolder daarboven zijn werkplaatsen zijn.

In het Brabantse Eersel staan negen van zijn beelden, waaronder de bronzen 'Verzoeking van de heilige Antonius'. Pas na langer onderzoek is het mogelijk visueel wat dieper in het geheel door te dringen. Dan openbaart zich een soort driedimensionale Tuin der Lusten van Jeroen Bosch. Er is een warreling van krioelende demonen en gedrochten, soms een handgranaat met handen en voeten, soms een duiveltje met een vis als penis.

De demonen beklimmen aan slangachtig geboomte groeiende takken en zijtakken en ook de ruïne van een spookachtig kasteel. Het beeld van 210 bij 330 bij 150 centimeter omvat letterlijk te veel om op te noemen, zoals dat ook het geval is met de monsterwereld van Bosch.

In 's Graveland zegt Kubic inderdaad al sinds zijn jongensjaren door de eigen wereld van Bosch gefascineerd te zijn, een universum waarin zich een voortdurende wisselwerking tussen goed, slecht en idioot voltrekt en die, vindt Kubic, zeker niet uitsluitend zwart en bedreigend is. Er is ook veel te lachen en, voor de aandachtige toeschouwer, een keur aan mooie, erotische grappen.

Wat deze vrijwel uitsluitend met metalen werkende kunstenaar toch het meest intrigeert, is het ontbreken van een begin en een eind aan deze voorstellingen. Ze vullen een totaal, een wereld, een heelal zelfs. De ene figuur leidt langs een slangenlijf naar de andere demon, die weer te maken heeft met een hem neerdrukkende vergroeiïng van de rug, zodat hij gedwongen is de hulp te aanvaarden van een vriendelijk monster, van wie het overigens nog maar de vraag is of hij echt wil helpen. Dit soort taferelen breidt zich in alle richtingen uit.

Actualiteit

De beelden zijn veelal koortsige gedachtenspinsels die het soms meters volhouden, in een mengeling van figuratie en abstractie en onwillekeurigheden. Onwillekeurigheden overigens die alles te maken kunnen hebben met de actualiteit zoals die doordringt uit Sarajevo, Rwanda, uit de slachthuizen op deze wereld. Ze hebben hun invloed op de vormen die Kubic eerst tekent en vervolgens gestalte geeft.

Soms worden ze in was geboetseerd om vervolgens via de cire-perdu-methode in brons te worden afgegoten. Of er wordt in staal gesneden, gezaagd en gelast. Een enkele keer is de achterliggende gedachte direct waar te nemen, zoals in het ook in Eersel geëxposeerde 'Theseus en Minotaurus'. In een kooi van prikkeldraad bevechten een menselijk wezen en een amorf monster elkaar. Ze zitten in een val en zijn tot elkaars wreedheid veroordeeld. Zien doen ze elkaar niet want ze hebben geen ogen. Er is geen enkele kans te ontsnappen. Oorlog, afslachten ter wille van goed en kwaad, gevangenen in een kooi en gevangenen in zichzelf. Met dat soort dingen is Paul Kubic, overigens een vriendelijke en goedlachse man, voortdurend bezig.

Kubic werd aan Amerikaanse academies gevormd als schilder en tekenaar, maar zwenkte al vrij snel naar het beeldhouwen. Dat wil zeggen, naar het werken met metalen: “Een stuk steen beperkt je in je mogelijkheden, je moet een teveel weghakken en kan onderweg geen zijwegen inslaan. Met metaal ben je vrij om alle mogelijke vormen te maken en onderweg uit te bouwen. Je kan er steeds mee doorgaan.”

Zijn opleiding werd dan ook aangepast: lassen, smeden, zagen, snijden, en ook brons gieten. Intussen overigens werd het schilderen en tekenen niet opgegeven. In zijn atelier staat bijvoorbeeld een groot schilderij waarin een het bruin van afgevallen boombladeren overheerst. Het doek geeft in twee dimensies weer wat de kunstenaar zo graag in drie dimensies maakt: een gecompliceerd stelsel van groeivormen voor Kubics verhalen.

Hij is geboeid door klassieke ruïnes. Dat komt zo: tijdens zijn opleiding stelde een 'fellowship' hem in staat naar Rome te gaan. Een soort Prix de Rome dus. Daar, zegt hij, kwam hij in aanraking met wat er aan bouwvormen uit het verre verleden was overgebleven, de plattegronden met nog gedeelten van de opbouw. In Eersel is zijn in Rome opgedane belangstelling af te lezen. Het klassieke bouwen, de oude architectuur, komen bij hem terug in een ineengelaste ruïne. Trappen verbinden er nog delen van vertrekken op diverse niveaus. Je kijkt er van bovenaf in:

'Architectonische ruïnes, toevallige formaties van rotsen, de elementen en de voortschrijdende gebeurtenissen van de geschiedenis vormen een encyclopedie van sculpture-vormen die de basis en stuwkracht is van alles wat ik maak.'

Aldus een citaat uit een 'statement' dat Kubic ter verduidelijking en toelichting van zijn werk samenstelde.

In Rome, in een bibliotheek, ontmoette Kubic de Nederlandse kunsthistoricus Erica met wie hij zou trouwen. Ze bleven twee jaar in Rome. Specifieke locaties, die hem treffen of gebeurtenissen waarvan hij kennisneemt dienen nooit als directe aanleidingen: “Het is eerder zo dat uit een verzameling van impressies zich een synthese ontwikkelt.”

Kubic grijpt graag terug naar de kunstgeschiedenis en de mythologie om zijn mede door het heden bepaalde thematiek vorm te geven. Figuratie en half-abstracties vloeien dan samen in een weliswaar herkenbare maar toch onbestaanbare werkelijkheid.

Californië

Na de periode in Rome trokken Kubic en zijn vrouw naar Californië, waar dochter Saskia werd geboren. Ze bleven er tien jaar maar besloten toen toch naar Nederland te gaan. De groeiende agressie in de Amerikaanse samenleving met het bijbehorende geweld waren mede aanleiding tot deze stap. Bovendien vonden ze dat hun dochter in Nederland een betere opleiding zou kunnen krijgen.

Kubic begint dikwijls aan een werkstuk zonder nog te weten wat er zal ontstaan en welke kant het zal opgaan. Hij trekt zich dan zagend en lassend terug in een wereld die weliswaar wordt gevoed door indrukken uit de buitenwereld, maar die mede bepaald wordt door de toevallige gestalten van het schroot dat hij van een naburige stortplaats weghaalt. Restanten van staalplaten, pijpen, weggesneden hoeken. Of een weggegooide koplamp van een sloopauto die dan een rol gaat spelen in de groei van een altijd complexe compositie: “Soms maakt mijn vrouw me dan wakker uit een soort trance en dan beschouw ik het beeld als voltooid.” Dikwijls wordt er dan later toch nog even aan gesleuteld. Bijvoorbeeld door het proces van het roesten te sturen. Het object kan bruin roesten, of oranje en tegen het rood aan. Een behandeling met zuren heeft daar invloed op.

Het gebeurt ook wel dat Kubic een voltooide constructie weer uit elkaar zaagt om de stukken vervolgens in andere configuraties samen te voegen: “Het is echt nooit klaar.”

Verkoopbaar

Op de zolder boven de tot atelier geworden bakkerij staat voorts een aantal voorbeelden van klein-plastiek. Dikwijls vrouwenfiguurtjes met humoristisch-erotische accenten. Of een stalen paardenkop met bewegende ogen. Ook een klein metalen naakt met een uit haar hoofd groeiend bosje bloemen. En een totempaaltje waarin een gedemonteerde leren schoen een rol speelt. Het zijn speelse vingeroefeningen die verkoopbare voorstellingen en vooral afmetingen hebben.

Met Kubics grote werken is dat alleen al door de omvang minder het geval. Toch maken die grote stukken zijn credo uit.

Het zijn fantasieën met soms de trekken van een nachtmerrie. Bizarre absurditeiten die wel doen denken aan de ogenschijnlijk zinloos stampende en draaiende machines van Tinguely. Kubics ruimtelijke overpeinzingen spelen zich in rust en stilte af. Hoewel, een enkele keer wil wel eens een knipperend oog of een buigend hoofd zichtbaar worden, zij het na lang kijken.

Ook de verwarde onmogelijkheden van Dalí zijn verwant met Kubics werk, met dit verschil dat de laatste minder bezeten is door angstaanjagende gedrochten. Kubics monstertjes blijven meestal iets vriendelijks houden. En altijd zijn ze speels. Met uitzondering van af en toe een Minotaurus dan.

Soms combineert hij een schilderij met objecten zodat er een soort reliëfs ontstaan. Evenals het andere werk kunnen die gelezen worden als commentaren op wat er van de boze buitenwereld in het atelier doordringt. Maar altijd worden deze actuele gebeurtenissen verhuld in een ruimtelijk weergegeven symbolentaal. Ook als de actuele aanleidingen vergeten zijn, moeten ze blijven aanspreken.

Paul Kubic heeft altijd zijn vrije werk kunnen maken met als financiële basis docentschappen tekenen en sculptuur. Of eventueel ergens als lasser. Het werk van deze poëtische metaalbewerker is vrijwel altijd wel ergens te zien. Op het ogenblik bijvoorbeeld, behalve in Eersel, op groepstentoonstellingen in de Haarlemse galerie Aannée en in het beeldenpark 't Ulenêst in het Friese Tijnje.

In het hierboven al eerder aangehaalde 'statement' over zichzelf en zijn werk stelt Paul Kubic verder vast dat hij in dat werk getuigt van de onzekerheid van de mens, ook die in zichzelf. Zijn werk tracht die strijd wat lichtvoetig te openbaren. Bij hemzelf gaat het vooral, zegt hij, om de strijd tussen dwaasheid, wijsheid, eerlijkheid en onvermogen.

Het lijken inderdaad de zinnebeeldige elementen die in zijn keuken in 's Graveland te zien zijn in een grote kijkdoos, een kijkkast meer. Er hangt een karikaturaal Hitlerhoofdje in, en een figuurtje dat op de kermis dienst deed als doel in een schiettent. Het bot van een koe, een ooit door hemzelf vervaardigde oude revolver, een injectiespuit, een lijstje met een banaan er in. En, centraal, het uit roze was gegoten model van een niet geringe penis. Inderdaad: dwaasheid, onvermogen, eerlijkheid en misschien wijsheid.