Bundel van Daniel Dennett; Ik heb een overtuiging, geloof ik

D.C. Dennett: Brainchildren. Essays on designing minds. Penguin, 400 blz. ƒ51,10

De Amerikaanse filosoof Daniel Dennett is één van die filosofen die lijden onder hun eigen verstaanbaarheid. Ze komen zo duidelijk over bij de lezer, dat ze zich niet meer van die lezer kunnen losmaken en steeds maar weer schrijven wat die graag wil horen en begrijpt. Dennetts jongste bundel Brainchildren is een verzameling essays over uiteenlopende onderwerpen die gericht zijn op een publiek van niet-filosofen.

Wat us een essays? vroeg W.F. Hermans, en zijn antwoord luidde dat het een opstel is waarin andermans boeken worden naverteld zonder namen te noemen. Dit is in zekere zin wat Dennett tegenwoordig ook doet, al noemt hij wel veel namen, meestal van wetenschappers. In hun kamp heeft Dennett de afgelopen jaren zijn tenten opgeslagen. Anders dan de meeste natuurwetenschappers zoekt Dennett het echter niet in de diepte, maar in de breedt. Op de omslag staat zelfs dat indien iemand van zichzelf kan zeggen dat hij de nieuwe Leonardo is, het Dennett is. Die suggesties is potsierlijk en doet aan Dennetts reputatie eerder afbreuk dan dat zij een aanbeveling vormtg.

De filosofische problemen die Dennett bezighouden worden bondig samengevat in de titel van zijn eerste boek: Content and Consciousness, gedachteninhouden en bewustzijn. Over beide onderwerpen heeft hij ongewone standpunten ontwikkeld. Zijn opvatting over bewustzijn is na het verschijnen van zijn wervelende boek Consciousness Explained algemeen bekend. Volgens Dennett is bewustzijn niet een innerlijke waarneming, maar een voortdurend vraag- en antwoordspel dat de hersenen met zichzelf spelen. Het antwoord dat de hersenen geven wordt een bewuste ervaring wanneer het deel gaat uitmaken van een tijdelijk dominante hersen-activiteit. Op de vraag waar die dominante hersenactiviteit namelijk dat er ergens in ons hoofd een 'Cartesiaans theater' zou zijn, waar onze geest de voortbrengselen van de zintuigelijke waarneming rustig zit te bekijken. In plaats daarvan spoken er echter talloze gedachten door ons hoofd waarvan er één op een moment verheven wordt tot bewustzijnsinhoud, zoals tijdens het afstoffen van de vensterbank opeens tot ons doordringt dat de radio eens tot ons doordringt dat de radio de 'Kindertotenlieder' van Mahler uitzendt.

Behaviourist

Dennetts opvatting over het denken is minder bekend dan die over het bewijstzijn, maar even ongewoon. Dennett is au fond een behaviourist; iemand die meent dat de psychologie zich alleen moet richten op uiterlijk waarneembaar gedrag en geen beroep mag doen op subjectieve, innerlijke ervaringen. Volgens Dennett kunnen we ieder object, ook de mens, op drie manieren bekijken. Ten eerste als natuurwetenschapper. We gaan dan na uit welke elementen het chemische proces 'mens' is samengesteld. Ten tweede als ingenieur. We kijken dan hoe de mens is ontworpen; waarom het hart uit twee kamers en twee boezems bestaat, waarom het samentrekt en bloed rondpompt. Ten derde als psycholoog. We nemen dan aan dat de mens overtuigingen, wensen en gevoelens heeft due zijn gedrag verklaren.

Het ongewone aan Dennetts theorie over denken is dat hij meent dat we niet alleen mensen op deze psychologische manier kunnen bekijken, maar ook dieren en computers. Dennett wil niet alleen weten of zijn computer een metalen of een kunststoffen kast heeft, of hoe informatie van zijn diskette naar zijn harde schijf gekopieerd wordt, maar ook hoe zijn pc zich voelt. Zoals Prins Charles met zijn bloemen praat, spreekt Dennett met zijn computer.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat Dennett maar doet alsof zijn computer denkt en voelt. De overtuigingen en bedoelingen die Dennett aan zijn computer toeschrijft zijn maar projecties; ze bestaan niet echt. Soms lijkt Dennett dat inderdaad te beweren, maar elders spreekt hij het tegen. De reden voor dat gedraai is dat hij soms toch terugschrikt voor de anti-realistische consequenties van zijn behaviourisme. Als overtuigingen en gevoelens namelijk slechts bestaan in the eye of the beholder, dan schrijven we aan mensen, net als aan computers, geen echte gevoelens en overtuigingten toe, maar doen we slechts alsof ze die hebben. Deze opvatting van Dennett druist natuurlijk in tegen onze dagelijkse ervaring.

Dennett zelf was zich bewust van deze vreemde consequentie van zijn theorie. Traditionele filosofen zouden zich door een dergelijk probleem gedwongen voelen om hun theorie aan te passen. Zo niet Dennett. Hij nam zitting in allerlei comités, nam deel aan diverse onderzoeksgroepen, reisde de hele wereld af om lezingen te geven, liet zich fêteren in televisieprogramma's, schreef niet alleen Consciousness Explained, maar ook Darwins Dangerous Idea, een boek over de evolutietheorie, en vele artikelen, boekbesprekingen en feestredes.

Het grootste deel van Brainchildren bestaat uit dergelijke barokke essays, die Dennett typeren: vrolijk, stimulerend, af en toe briljant, erudiet, maar soms ook chagrijning en gemakzuchtig. Lezers die meer in filosofie dan in Dennett geïnteresseerd zijn, zullen dit wellicht zonde van zijn tijd vinden; hij moet eerst maar eens die paradox in zijn theorie oplossen.

Wellicht om deze lezers tegemoet te komen heeft Dennett zijn beste artikel van de afgelopen tien jaar ook in deze bundel opgenomen. Het artikel heet Real Patterns en bevat zijn huidige oplossing voor het probleem dat we mensen kunnen waarnemen alsof zij overtuigingen en wensen hebben, ofschoon die overtuigingen en wensen niet echt bestaan.

Dennetts oplossing van de paradox begint met de vaststelling dat als we gedrag verklaren door overtuigingen en wensen aan mensen toe te schrijven, we in dat gedrag een bepaalde regelmaat, een patroon herkennen. Door bijvoorbeeld het woord 'stoel' te gebruiken, drukken we als het ware een patroon op een verzameling atomen. Omdat het voor ons nu eenmaal makkelijker is die bepaalde verzameling atomen als 'stoel' aan te duiden, zeggen we vanzelfsprekend dat de stoel 'echt bestaat'. Dezelfde houding moeten we aannemen ten aanzien van overtuigingen en wensen, meent Dennett.

Amoebe

Om dat aannemelijk te maken, beschrijft hij een computerspel, Life. Het is een soort patience met de computer. Het computerscherm is verdeeld in kleine vlakken die zwart of wit gekleurd zijn. Deze vlakken verspringen van kleur, al naar gelang twee of drie aangrenzende vlakken zwart of wit zijn. Door de regels van het spel gehoorzaam te volgen ontstaan op het beeldscherm bepaalde patronen, waarin we figuren herkennen zoals een slang, een amoebe die rondzwemt in een druppel water, een macrofaag die een virus verzwelgt. We kijken dan naar het scherm met een bepaald oog, namelijk dat van de natuurwetenschapper. We kunnen echter ook naar het scherm kijken alsof we ingenieur zijn; dan zouden we de vlakken kunnen interpreteren als symbolen waarmee een computerprogramma rekent. En stel dat dit een schaakprogramma is, dan kunnen we zelfs in die patronen een schaker zien die mogelijke zetten overweegt en met een bepaalde bedoeling die zetten uitvoert. Omdat de vlakken op het scherm nog steeds alleen de simpele regel omtrent zijn aangrenzende vlekken volgt, zal die interpretatie ook slechte zetten opleveren, net als bij een echte schaker.

Dit moet ons volgens Dennett aan het denken zetten. Is de toestand van onze hersenen niet vergelijkbaar met die van dat scherm, waarin wij een bepaald patroon herkennen? Dennetts antwoord op die vraag is natuurlijk bevestigend en dat brengt ons bij zijn oplossing van de paradox. Onze wensen en overtuigingen bestaan echt, omdat wij ze herkennen als patronen in bepaalde vormen van gedrag. Die patronen bestaan echt, net zoals die vlakken op het scherm. Maar tegelijkertijd hebben die patronen wel een waarnemer nodig di ze herkent. Net zo ziet iemand die niets van schaken weet slechts stukken hout op een in vierkanten verdeeld vlak. Schakers, daarentegen, zien in de stand van diezelfde stukken de Brentano derdediging op de Spaanse opening.

Bestaat die Brentano -verdediging nu echt? Bestaan overtuigingen en wensen nu echt? Dergelijke vragen of iets 'echt bestaat' legt Dennett naast zich neer, want hij vindt zijn positie duidelijker dan begrippen als realisme of idealisme. Wie zulke vragen wel belangrijk vindt, een filosoof zeg maar, zou wensen dat Dennett meer van zijn tijd daaraan zou wijden. Wie vooral een liefhebber is van 'Dan the Man' komt in Brainchildren echter ruimschoots aan zijn trekken.