Trou moet blijcken

Lucebert (1924-1994)

boeken hebben hun geschiedenis

het boek is nog niet uit

het is wel een uiterst klein dun boek

een handboek een schemerboek

in de boekenkast is het altijd zoek

ook valt het van tafel in het niets

valt het tussen de woorden van praters

tussen het gebrul van elokwente sprekers

ver weg ontbladert het in het witte woud

schurftig komt het soms terug zacht

is zijn vragende oogopslag in een hoek

vergeten gaat het liggen en vergeelt

tussen de onverschillige pissebedden

wordt het een stehgeiger voor stijfkoppige

dovemansoren geen eenvoudige boodschap

verlaat meer het boek het is slaapwekkend

ook de lezer is slaapwekkend maar die eet

vrijt slaapt en doet aan krachtsport

die werkt zich zeker tevreden in het zweet

die dans met hanetred rond zijn windei

en bereikt zo de juiste vorm de hemel op aarde

Laatst zag ik een bloemlezing met poezen- en kattengedichten die geheel was samengesteld uit de drie bloemlezingen die ik uit de Nederlandse poëzie heb gemaakt. Nu, bijna helemaal. Er was alleen nog een poezengedichtje van de samenstelster zelf aan toegevoegd. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Erg gemakzuchtig zijn ook de thematische bloemlezingen over, zeg maar, de school of de oorlog waaraan je kan aflezen dat de bloemlezer alleen naar titels heeft gespeurd. Dan heb je een bundel met gedichten over de school en in de inhoudsopgave zie je allemaal titels waarin het woord leraar of klas voorkomt. Of de gedichten heten Op de schoolbank of Slecht rapport of Onderwijzersleed. Zo'n bloemlezing kwam tot stand door andere inhoudsopgaven na te vlooien, en dat is meestal niet meer dan één pagina. Gedichten waarin het pas verderop over school, leerlingen en dictees gaat vallen uit de boot. Je mist op die manier essentiële dingen.

Wat zou ik me boos maken? De thematische bloemlezing is op sterven na dood. Binnenkort zal de cd-rom met alle Nederlandse gedichten er zijn. Met bijna alle toch zeker. Wil je hondengedichten lezen? Je klikt een rijtje passende sleutelwoorden aan - hond, teef, woef, kwispelen - en in een mum van tijd heb je ze er allemaal uitgeplukt. Het bewuste woord kan op elke plaats in het gedicht staan en je komt te weten wat thema-bloemlezers je nooit konden laten weten: dat de mooiste hondengedichten Wandeling met opa heten of Vesuvius. In de boekwinkel zal je de themabundel niet meer vinden.

Omdat ik zowel voor boeken als poëzie een bijzondere liefde koester heb ik wel eens geprobeerd bij te houden wat er in de Nederlandse literatuur aan boekenpoëzie is geschreven. Bijgaand gedicht van Lucebert is zo'n gedicht over boeken. Het had de luiste der luiste bloemlezers niet kunnen ontgaan. Het woord boek in de titel, het woord boek in elk van de eerste vier regels. Tweemaal zelfs in de derde regel. Maar dat het bij Aan mê vrouw van P.C. Hooft en After the goldrush van Jan Boerstoel - hier elkaar tot hun verbazing ontmoetend - ook om typische boekpoëzie gaat zou je niet zomaar raden. Tientallen van die mooie boekgedichten lagen er op zeker moment in mijn map. Als ze alleen over de poes in de poëzie al twintig bloemlezingen hadden, redeneerde ik, kon er nog wel een boek over het boek in de poëzie bij. Zowel die map als alle kennis die ik er over zou spuien is nu nutteloos geworden. Verspilde moeite, op afroep beschikbare kennis.

Jammer vind ik het niet. Ik had toch al de pest aan dat soort bloemlezingen. Ik ben blij dat iemand nu in het holst van de nacht en in zijn dooie eentje, als hij de slaap niet kan vatten, snel 'n bloemlezinkje met slaapgedichten kan concipiëren en afdrukken zonder dat hij er iemand mee lastig valt. Zoekmachines kunnen uitstekend vaststellen of een gedicht niet of wel over slaap gaat. Ze zullen ons nooit kunnen waarschuwen als een gedicht slaapverwekkend is. Ze kunnen geen mooie van niet-mooie gedichten schiften. Een boek met de mooiste boekgedichten blijft mensenwerk. Geen bloemleesmachine zou kunnen zeggen wat er zo mooi is aan het gedicht van Lucebert. Als we de machine toch wat elementaire esthetische criteria hadden bijgebracht zou hij het waarschijnlijk afwijzen, vanwege te veel herhalingen en zo.

Voor een poëzielezer is het al moeilijk genoeg uit te leggen wat de charme ervan is. Indrukken, suggesties en associaties - meer heb je vooralsnog niet in handen. In het begin lijkt het gedicht om het mensenleven te gaan ('mensen hebben hun geschiedenis') - een te kort leven dat op het einde loopt. Een leven dat je niet kunt pakken en dat zomaar in stilte oplost. Bij de grijze ontbladering verandert het beeld in dat van een schurftige hond. (Hondenbloemlezers, opgelet!) Vragende oogopslag, in een hoek gaan liggen, het is een honds leven. Het boek wordt al liggend 'een stehgeiger voor stijfkoppige dovemansoren' - een absurditeit waarnaar niemand luistert. Het is slaapwekkend omdat het geen gemakkelijke boodschap verkondigt aan de lezer - daar komt, derde fase, de tegenhanger in beeld. Die lezer is door zijn hardleersheid even slaapwekkend. Het lijkt of er een terminale toestand, een laatste stadium wordt afgezet tegenover het volle leven - gezondheid en kracht. Een boek met een oud en lang verhaal tegenover iemand

die danst met hanetred rond zijn windei

- een juweel van een zin die je ook kunt lezen als: die danst met winderige tred rond zijn haneëi. Met eigendunk rond het onbestaanbare, het niets.

Het sarcasme in de laatste regel treft de met zichzelf ingenomen beginneling en versterkt het mededogen met het boek dat bijna uit is. Ik weet niet of mijn indrukken en associaties juist zijn, ik weet niet of mijn vluchtige interpretatie standhoudt. Maar je voelt dat dit niet zomaar een vrolijk boekgedicht is, zo'n gedicht dat alleen nog door een thematische bloemlezing kan worden gered.