Publieke omroep moet blijven zoals hij is

Juist nu de commerciële omroepen moeilijke tijden beleven, moet Paars II de positie van de publieke omroep niet verzwakken door te sleutelen aan het aantal televisienetten of radiozenders, meent Geert Dales. Want waarom zou de politiek tornen aan de publieke omroep als het publiek er zelf zo tevreden over is?

In alle berichtgeving over het regeerakkoord is tot nu toe weinig te horen geweest over het punt van de publieke omroep. Omdat tijdens de loop van het nieuwe regeerakkoord de huidige uitzendconcessie van de omroepen afloopt en verdere wijzigingen van de mediawetgeving te verwachten zijn, had het voor de hand gelegen dat daarover reeds bij de kabinetsformatie min of meer gedetailleerde afspraken gemaakt zouden worden. Potentiële conflicten tussen de regeringspartijen, die op essentiële beleidsonderdelen verschillend denken, zouden daarmee minder waarschijnlijk geworden zijn. Het regeerakkoord houdt zich evenwel op de vlakte. Dat er in het jaar 2000 één uitzendconcessie voor de publieke omroep als geheel komt en niet voor de afzonderlijke omroepen is geen nieuws.

Het akkoord bevat geen duidelijke uitspraken over de taakafbakening van de publieke omroep en geen nieuws over een mogelijke wijziging van de financieringsstructuur. Over de omvang van de publieke omroep wordt alleen gezegd dat een eventuele beperking van het aantal radiozenders van vijf naar vier zal worden onderzocht. Over het aantal televisiezenders wordt niet gesproken. Kortom, de discussie over de mediapolitiek in de komende jaren ligt nog geheel open, hetgeen reden is te hopen dat het kabinet en de Tweede Kamer zich hierbij voortaan laten leiden door het principe dat inhoud gaat voor vorm.

In de afgelopen jaren ging het politieke debat vooral over financiën en organisatiestructuur. Vervolgens trok de omvang van de publieke omroep (drie of twee publieke tv-netten en vijf, vier of drie radiozenders) de politieke aandacht. Soms leek de vorm- en volumediscussie wel een doel op zich, terwijl dat alleen zou moeten gelden voor de taakstelling. Juist daar ligt de eerste invalshoek van de politiek, die immers bepaalt dat er een publieke omroep moet zijn en wat die moet doen. Die principiële discussie overstijgt in hoge mate de ordenings- en financieringsbeginselen, laat staan de feitelijke zenderinvulling. Politiek en uitvoeringsorganisaties moeten wat dat laatste betreft op gepaste afstand van elkaar blijven. Het politieke redeneren en besluiten moet beginnen bij de taakstelling en eindigen bij het budget en de organisatiestructuur. De huidige praktijk is precies andersom.

Het had zoveel mooier gekund. Het rapport van de Commissie-Ververs verwoordde op treffende wijze het belang van een publieke omroep voor de bevordering van een democratische en pluriforme samenleving. Ververs beschrijft de publieke taken van die omroep: informatie, educatie, cultuur, op basis van een hoge kwaliteitsstandaard en met een vernieuwend karakter. Daarna concludeert Ververs dat een publieke omroep die volgens de gestelde hoge normen zijn taken vervult maar niet aanslaat bij de kijker of luisteraar, zijn doel voorbijschiet. Er moet dan ook worden geprogrammeerd voor een breed publiek. Paars I en een meerderheid van de Tweede Kamer onderschreven deze uitgangspunten, maar lieten vervolgens na om hun zienswijze verder uit te werken en die pas daarna te vertalen in beslissingen over vorm en aantal netten.

Ook de principiële vraag of het systeem van gemengde financiering (omroepbijdrage en reclameopbrengsten) gehandhaafd moet worden, is niet afgehandeld. Alle aandacht ging uit naar de noodzaak van kostenreductie bij de omroepen en de organisatiestructuur, waarbij de rol van de omroepverenigingen werd teruggedrongen ten gunste van een centraal aangestelde Raad van Bestuur van de NOS.

De discussie over de taakstelling is nog steeds niet veel verder dan de vaststelling dat er een sterke publieke omroep moet zijn. Als dat uitgangspunt serieus wordt genomen, is er alle aanleiding om zeer terughoudend te zijn in de discussie over het volume. Een beperking impliceert immers een smallere programmering. En dàt levert niet alleen complicaties op in de financiering, maar ook in het door de politiek onderschreven uitgangspunt dat de publieke omroep een breed publiek moet dienen. Hoe breder dat publiek, hoe groter de legitimatie van de publieke omroep en hoe sterker zijn positie. Juist nu de commerciële omroepen moeilijke tijden beleven, is het zaak de positie van de publieke omroep niet te verzwakken door de aanval op het aantal zenders in te zetten. Te meer niet nu uit diverse recente onderzoeken is gebleken dat niet alleen het bereik van de publieke netten hoger is dan dat van de commerciële netten, maar dat de eerste ook beter gewaardeerd worden door het publiek.

Een onlangs verschenen McKinsey-rapport rekent voor dat teruggang in netten, gekoppeld aan een verlaging van de omroepbijdrage, niet alleen leidt tot sterk nadelige consequenties voor het programma-aanbod, maar ook financieel onvoordelig is. Evenmin leidt reductie tot financiële besparingen, tenzij de omroepbijdrage hetzelfde blijft. Maar de burger laat zich niet eenderde van het aanbod afpakken zonder minder te betalen. Volumereductie is ook niet nodig wegens schaarste aan etherfrequenties, althans niet bij de televisie. Het leidt tot enorme complicaties, zo niet chaos bij de zenderindeling en tot een aanzienlijke kapitaalsvernietiging.

Interessant is ook de vaststelling van McKinsey dat het programma-aanbod van de publieke omroep zich sterk onderscheidt van de commerciële netten. De tijden dat omroepen elkaar beconcurreerden met massa-entertainment en flauwe spelletjes zijn al lang voorbij. De conclusie moet dan ook zijn dat argumenten voor een eventuele volumebeperking niet ontleend kunnen worden aan overwegingen van politiek opportunisme, financiën, schaarste aan etherfrequenties of een karakterloze programmatische inhoud van de publieke omroep. De enige reden zou kunnen zijn dat de omvang van de taken van de publieke omroep zodanig beperkt is dat het niet nodig is om daar drie televisiekanalen en vijf radiozenders voor open te stellen. Tot dusverre is daarover geen duidelijk politiek standpunt ingenomen, waardoor die bal impliciet bij de omroep wordt neergelegd, die hem met voortvarendheid heeft opgepakt.

Nog nauwelijks zat de nieuwe Raad van Bestuur van de NOS in het zadel, of daar lag, in de vorm van de nota Publiek in de toekomst, een heldere visie op de rol van de publieke omroep en op de manier waarop die rol gespeeld moet worden. De strekking is dat de publieke omroep zijn opdracht alleen kan vervullen bij handhaving van het huidige volume, om redenen van pluriformiteit en diversiteit, draagvlak, zenderprofilering en openheid van het bestel voor nieuwe toetreders zoals recentelijk BNN.

In de nieuwe organisatievorm van de publieke omroep, met een door de overheid aangestelde Raad van Bestuur en centraal gestuurde netmanagers, is een punt gezet achter de ontzuiling. Dat proces wordt nog versterkt door vanaf 2000 één uitzendconcessie te verlenen aan de publieke omroep als geheel en niet meer aan de afzonderlijke omroepverenigingen. De financiën zijn op orde gebracht door jarenlange bezuinigingsrondes. Het marktaandeel groeit en de waardering van het publiek stijgt. Met deze stand van zaken is er geen aanleiding voor verder fundamenteel gesleutel. Het staat de politiek uiteraard altijd vrij dat wel te doen, maar uitsluitend op basis van een weldoordachte opvatting over de taakstelling. Tot dusverre is daarvan te weinig terechtgekomen.