Erudiet bestuurder; J.K.M. Gevers (1944 - 1998)

AMSTERDAM, 6 AUG. De gisteren op 54-jarige leeftijd aan een hartaanval overleden Jankarel Gevers was een groot voorvechter van de “vrije” universiteit. Universiteiten moesten weer vrijplaatsen voor onafhankelijke denkers worden. En zeker een 'stadsuniversiteit' als die van Amsterdam moest een organische plaats in het stadsleven innemen, met tal van draden verbonden met kunst, wetenschap en ondernemingen.

Als voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam hamerde Gevers elke keer bij de opening van het academisch jaar op deze missie van zijn universiteit. Op 7 september zou hij het voor de elfde keer doen, nu onder de titel 'Zalige wetenschap, zacht rozerood'.

Gevers werd op 10 juni 1944 in Valkenswaard geboren. Hij studeerde in de jaren zestig sociologie aan de Leidse Universiteit. Daar ontpopte hij zich tijdens een betrekkelijk bescheiden studentenopstand als bestuurder. Via de universiteitsraad belandde hij in 1974 in het college van bestuur. Vier jaar later werd hij adviseur voor de landelijke universitaire planning. In die functie had hij in 1982 en 1983 een stevig aandeel in de totstandkoming van het zeer omstreden taakverdelingsplan voor de universiteiten, dat een besparing van 258 miljoen gulden moest opleveren.

Van 1984 tot 1988 was hij voorzitter van de HBO Raad, de vereniging van hogescholen. Hij leidde er opnieuw een door de toenmalige onderwijsminister W.J. Deetman en diens directeur-generaal R.J. in 't Veld geïnitieerde operatie. Door schaalvergroting, meer samenwerking en een hogere kwaliteit moesten de hogescholen beter in de vraag naar hoger onderwijs voorzien.

In 1988 kwam Gevers weer terug in de universitaire wereld, dit keer als collegevoorzitter van de Universiteit van Amsterdam. In de loop der jaren realiseerde hij met zijn medebestuurders veel veranderingen, zoals de samenvoeging van de medische faculteit met het academisch ziekenhuis. Maar belangrijker was misschien dat hij geleidelijk aan het belang van het centrale bestuur verminderde. Hij botste daarbij wel regelmatig met de universiteitsraad die hem regentesk gedrag verweet.

Gevers voelde zich aangetrokken door de Angelsaksische opvattingen over het hoger onderwijs. Met name de grote zelfstandigheid èn bijpassende verantwoordelijkheid van de universiteiten spraken hem aan.

Gevers praktizeerde zelf de onafhankelijkheid die hij voor de universiteiten bepleitte. Zo hekelde hij zonder aanzien des persoons het gebrek aan moed bij politici en bestuurders. Van 'politieke correctheid' gruwde hij. Provocatie was hem niet vreemd. Zo zei hij over de PvdA, waar hij lid van was, dat sinds de successen van Kok het denken in de PvdA “op nul was gezet.” Deetman noemde hij op het moment dat die zeer omstreden was (1988) de beste onderwijsminister die Nederland had gekend. Minister Ritzen, die de zelfstandigheid van universiteiten beperkte, vond hij de laatste 'OostEuropese plandemocraat'.

Voor de erudiete en energieke bestuurder Gevers - hij had aan het einde van zijn leven 22 nevenfuncties - was Voltaire een belangrijk leidsman. Voltaire leverde dan ook tien keer het motto bij de rede waarmee Gevers zijn universiteit uit haar zomerslaap schudde. Over 'De Breekbaarheid van Het Goede' sprak Gevers de eerste keer, in 1988. Van Voltaire citeerde hij toen:

Un jour tout sera bien, voilá notre espérance; Tout est bien aujourd'hui, voilà l'illusion.