Nog zon gehad?

De Nederlandse vakantieganger wacht bij thuiskomst een welkom waarin de vraag naar het genoten weer een prominente plaats inneemt. De geïnteresseerde trekt daarbij een meewarig gezicht als de reiziger bleek is. Bij een bruinverbrande kop is de conclusie ook snel getrokken: de vakantie moet geslaagd te noemen zijn.

Het is historisch bepaald dat Nederlanders een bijzondere interesse in het weer hebben. Een volk van zeevarende kooplui en werkers op het land heeft alle belang bij goed weer. Dat dat soms ook een bui betekent, is door de tijd vergeten. Het juiste weer is tegenwoordig zon, zon en nog eens zon.

Het is niet terecht dat bij de waardering van een uitstapje of een vakantie zonneschijn van doorslaggevende betekenis wordt geacht. Want iedere plaats op deze aardbol heeft zo zijn eigen ideale weer. Motregen, waardoor de straten en taxi's in Londen zo mooi glimmen valt daar te verkiezen boven zinderende, stoffige hitte. Dat weertype hoort bij een bezoek aan de piramides. In Egypte zou regen of mist de boel bederven.

Maar New York wordt beter van regen. James Dean op Times Square in de zon zal best een aardige foto hebben opgeleverd, het is in ieder geval niet de plaat die in de posterwinkel te verkrijgen is. Bij mist schiet San Francisco automatisch in gedachten.

Goed, bij Parijs hoort zon, maar dan wel de prille zonnestralen van de lente, waar nauwelijks bruinende kracht aan kan worden toegekend. Jakarta moet die bleke hemel hebben, waar het licht steekt terwijl de zon nauwelijks aan te wijzen is. Lech is mooi in de zon, maar dan moet er wel sneeuw bij. Helsinki doet het uitstekend met sneeuw en het licht uit. Sneek op zijn best: ongeveer 25 graden, half bewolkt en windkracht vier.

Vraag als iemand terugkeert uit het Amazonegebied dus niet of de zon scheen, maar hoe nat je wordt van een tropische bui.

    • Richard de Wit