Joe Pesci

In een serie profielen van gezichtsbepalende filmsterren deze week Joe Pesci, de kleine karakteracteur met een voorliefde voor gangsterrollen die nu voor de derde keer te zien is in een aflevering van de Lethal Weapon-reeks.

Het is in Hollywood haast een wet van Meden en Perzen: wie briljant een slechterik speelt, wordt al snel getypecast; en wie steevast dezelfde soort rollen moet spelen, voelt zich miskend en roept dat hij wel eens iets anders wil. Behalve als je Joe Pesci heet. Toen de kleine (1,63 m), grijnzende en hoekig gebouwde bijrolspeler in 1990 een Academy Award kreeg voor zijn vertolking van een psychopatische mafioso in Martin Scorsese's GoodFellas, werd hem gevraagd of het nu niet eens tijd werd om wat menselijker rollen te spelen. “No fuckin' way”, luidde het antwoord in stijl.

Niet dat Joe Pesci (Newark, New Jersey, 9 februari 1943) altijd dezelfde karakters speelt. De blunderende schurk in de Home Alone-reeks verschilt hemelsbreed van de enge samenzweerder in JFK (1991), terwijl de snelpratende klikspaan uit Lethal Weapon 2,3 en 4 ('OK, OK, OK') weinig lijkt op de onhandige mafiakoerier uit Eight Heads in a Duffel Bag (1995). Maar geen een van die personages maakte zoveel indruk als de opvliegende wreedaards die hij speelde in twee mafiafilms van Scorsese. Als Tommy DeVito, de even joviale als angstaanjagende wiseguy in GoodFellas, kreeg hij de Oscar; als Nicky Santoro, de ordinaire en ultragewelddadige duvelstoejager in Casino (1995), had hij hetzelfde verdiend. Pesci is 'The Man You Love to Hate', een Erich von Stroheim voor het fin-de-siècle, maar dan korter.

Net als zijn boezemvriend Robert De Niro dankt Pesci de hoogtepunten van zijn carrière voor een belangrijk deel aan Scorsese. Toen hij in de tweede helft van de jaren zeventig zijn acteeraspiraties op een laag pitje had gezet (“I couldn't even get an agent to hang up on me, because they wouldn't take my calls”), was het Scorsese die hem verloste van een baan als restauranthouder. Nieuwsgierig gemaakt door Pesci's spel in de B-film The Death Collector (1975) castte hij hem in Raging Bull. De rol van de broer en manager van de prijsvechter Jake LaMotta was Pesci's derde filmoptreden en leverde hem een Oscarnominatie op. Daarna stroomden de aanbiedingen toe, van regisseurs als Nicholas Roeg (Eureka), Sergio Leone (Once Upon a Time in America) en Dennis Hopper (Backtrack).

Slechteriken zijn Pesci's specialiteit, maar een enkele keer laat hij zien dat zijn voorliefde voor gangsterrollen niet voortkomt uit zijn beperkingen als acteur. De middelmatige komedie My Cousin Vinny (1992, over een flodderige New-Yorkse advocaat die zijn neef bij een rechtszaak in het Zuiden komt helpen), werd door Pesci's dynamiek bij vlagen hilarisch. Die gave, om behalve de grootste wreedheden ook venijnige humor overtuigend te brengen, maakt Joe Pesci tot een veelzijdiger acteur dan Danny DeVito, met wie hij om zijn lengte en opgewonden persona vaak vergeleken wordt. Pesci is een vulkaan, een vriendelijk uitziende doorsneeberg die van tijd tot tijd verschrikkelijk kan uitbarsten. Naast hem zijn de meeste andere character actors sputterende geisertjes.