Hulp aan het volk en niet aan de elite

Ontwikkelingshulp aan Indonesië moet ten goede komen aan het volk, meent J. Breman. Alleen zo kan er democratie ontstaan.

Nederland heeft ingestemd met het verzoek van Indonesië om herstel van de ontwikkelingsrelatie. Hoewel hervatting van de hulpverlening voortvloeit uit de crisis die Indonesië teistert, zal het de Indonesische leiders moeite hebben gekost terug te komen op het besluit van zes jaar geleden om de samenwerking te verbreken wegens Nederlandse kritiek op de schending van de rechten van de mens. De nieuwe start is dan ook niet begonnen op basis van bilateraal overleg tussen de beide landen, maar ingegeven door de behoefte van het IMF om meer donorlanden te betrekken bij de schuldensanering. Door hieraan mee te werken aanvaardt Indonesië de nieuwe koers zoals die door het IMF en de Wereldbank is uitgestippeld. Grote vraag is echter hoe de herstelde ontwikkelingsrelatie tussen Nederland en Indonesië gestalte moet krijgen.

Het Nieuwe Orde-regime van Soeharto duurt onverminderd voort; alleen de hoofdman heeft de aftocht geblazen. De macht berust nu bij zijn discipelen die hem tot op het laatst trouw hebben gediend. En ook nu nog staan zij als een beschermend kordon om hun vroegere patroon en zijn familie heen. Niet voor niets heeft Soeharto in de nacht van 19 mei Habibie als zijn opvolger aangewezen. Habibie leek de minst gevaarlijke kandidaat: een stroman zonder eigen machtsbasis, kwetsbaar door dezelfde corrupte praktijken die zijn meester zo berucht hebben gemaakt. Maar hij mist elke geloofwaardigheid. Bij alle onzekerheid over de verschuivingen in het politieke krachtenveld lijkt de kans klein dat hij na de verkiezingen van volgend jaar als president terugkeert. Vertrouwen op Habibie als leidsman in de moeizame overgang naar een meer open bestel is als bij de duivel te biecht gaan. Als exponent van de oude garde spant hij zich in om het democratiseringsproces te vertragen en te saboteren.

Het huidige leiderschap is schuldig aan het economische en politieke wanbeheer dat het land op de rand van de afgrond heeft gebracht. Dat moet op zichzelf al voldoende zijn om afstand te houden. Daarbij komt nog dat van enigszins doordachte beleidsvoering nauwelijks sprake is. Ministers reizen als bedelaars de wereld rond op zoek naar leningen om de financiële gaten te dichten. Garanties ontbreken dat de opgehaalde gelden behoorlijk zullen worden besteed. Net als in het verleden zal een aanzienlijk deel weglekken naar particuliere rekeningen. De chaos in het centrum is onbeschrijfelijk groot. Het mankeert aan een vastberaden aanpak, een heldere agenda en bezinning op keuzes.

Indonesië kampt ook nog met het probleem van een bestuurlijke implosie. De overheidsmachinerie is volledig ingesteld op uitvoering van oekazes die vanuit de top zijn gedecreteerd. Als gevolg van de daar heersende stuurloosheid verkeren de lagere administratieve organen in staat van verlamming. In de dorpen van mijn veldwerk bij Jakarta is de interactie met de diensten in het (onder)district nagenoeg tot stilstand gekomen. De bestuurders zijn uit het straatbeeld verdwenen. Zij zitten vermoedelijk achter hun schrijftafel te wachten op nieuwe orders.

Ik bepleit echter niet dat van hervatting van de ontwikkelingsrelatie voorlopig maar moet worden afgezien. De nood van de bevolking maakt hulpverlening dringend geboden. Wel moet die hulp zo veel mogelijk buiten de overheid worden omgeleid. Zowel om de doelmatigheid van de besteding daarvan te verhogen als om de versterking van de legitimiteit van de zittende machtshebbers te voorkomen. De bijstand moet primair gericht zijn op armoedebestrijding. Verlies van werk gecombineerd met gigantische prijsstijgingen heeft de toch al broze bestaanszekerheid aan de onderkant van de samenleving verder ondermijnd. De opvatting dat onder Soeharto het volk wel in onvrijheid leefde maar economisch weinig reden tot klagen had, behoeft correctie. De aanhoudende armoede van een brede onderlaag bleef in de overheidsboekhouding net zo verborgen als de verrijking van een minderheid aan de bovenkant van de samenleving. Het geloof dat het steeds meer mensen steeds beter ging - een opvatting die door de Wereldbank enthousiast wordt onderschreven - verdient kritische herwaardering. Veelzeggend is de uitroep van een landarbeidster in mijn onderzoeksdorp: “Krismon? Daar lijd ik al mijn leven lang aan.” Dit neemt niet weg dat de economische ineenstorting ervoor heeft gezorgd dat wat eerst armoede was nu in verpaupering is omgeslagen. Voedselvoorziening, gezondheidszorg en onderwijs verdienen daarom hoge prioriteit.

De gegeven hulp moet de acute nood lenigen, maar ook ten goede komen aan de mondigheid van de bevolking. De Nieuwe Orde heeft niet alleen dissidenten vervolgd en uitgeschakeld die de moed hadden hun stem te verheffen. Vooral de wandaden begaan tegen deze activisten worden als schending van de rechten van de mens beschouwd. Die term slaat echter ook op de terreur uitgeoefend jegens boeren die protesteerden tegen de roof van hun grond, of op het geweld waarmee arbeiders door soldaten de fabrieken werden ingejaagd als zij in staking gingen om betaling van het wettelijke minimumloon (nu één gulden per dag) te vorderen.

De woede achteraf over Soeharto's schrikbewind is groot en uit zich in een assertiviteit van de gewone man waarmee de autoriteiten geen raad weten. Oogluikend staan zij toe dat de burgerij zich bewapent tegen de groeiende bandeloosheid. De opstand van de 'gevaarlijke klasse' lijkt begonnen: boeren die golfbanen bezetten om de hun ontnomen grond met cassave en pisang te beplanten; becakrijders die weigeren de stad te verlaten waaruit zij eerder zijn verjaagd; bezitslozen die op liefdadigheidsmarkten waar voedsel goedkoop wordt verkocht proletarisch komen winkelen; bedelaars die dreigen auto's te bekrassen als de eigenaar een gift weigert. Is deze kleine criminaliteit het antwoord van de onderklassen op de afpersing waaraan Soeharto en zijn militaire apparaat zich schuldig hebben gemaakt?

De roep om vrijheid van meningsuiting en vereniging, om verlossing van corruptie en ander onrecht klinkt alom en heeft ook mijn dorp bereikt. Reformasi is de leus op een spandoek die jongeren voor het lokale bestuurskantoor hebben gehangen. Het dorpshoofd wordt er al even zenuwachtig van als van zijn allerhoogste bazen.

De Nederlandse ontwikkelingsinspanning zou steun moeten geven aan sociale bewegingen die proberen, tegen de verdrukking in, de ruimte te vergroten zonder welke de democratische krachten niet tot ontplooiing kunnen komen.

Nog steeds heet het dat de crisis van tijdelijke duur is. De terugval is hevig, maar herstel een kwestie van enkele jaren. Die hoopvolle boodschap gaat vergezeld van de waarschuwing dat het eerst slechter zal gaan voordat het beter wordt. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Allbright, heeft op de jongste ASEAN-bijeenkomst in Manila nog eens gezegd dat de middenklasse, die toch zo mooi in de lift zat, moet inleveren.

Indonesië wordt aangemaand om het voorgeschreven medicijn dapper te slikken. Er zit weinig anders op. Zoals ieder failliet bedrijf, staat ook Indonesië nu onder curatele. Van de Wereldbank en het IMF. Beschikken die instellingen, zoals het redactioneel commentaar in deze krant op 24 juli suggereerde, over de ervaring en kennis om de vrije val te stoppen waarin dit land verkeert? Ik geloof er niets van. Behalve dat de crisis zich niet beperkt tot de economie, deugt het ontwikkelingsmodel niet dat op buitenlands recept aard en koers van het beleid bepaalt. Alle feilen en falen worden thans Soeharto aangerekend. Wat echter vergeten wordt is dat Soeharto en zijn trawanten optraden als zetbaas van externe belangen.

De huidige saneringsoperatie heeft primair tot doel op termijn invordering van de excessieve schuld te verzekeren. Die last kan de bevolking nu en later onmogelijk dragen. Haar ervoor aansprakelijk te stellen is immoreel. Voorzichtig komt de discussie op gang, dat voor een beter bestaan behalve politieke vernieuwing ook een heel andere economische orde nodig is, waarin gebruik wordt gemaakt van de natuurlijke hulpbronnen op een manier die ten goede komt aan de grote massa van de bevolking en niet slechts aan een kleine elite. Enkele tientallen conglomeraten die zestig procent van het bruto nationale product genereren, bieden werk aan slechts twaalf procent van de actieve bevolking. Voor welvaartsspreiding is het overschakelen op kleinschalige bedrijfsvoering een gebiedende eis. De extreem scheve eigendomsverhoudingen zowel in landbouw als industrie zouden door herverdeling gecorrigeerd moeten worden. De pleitbezorgers van deze iekonomi rakyat (volkseconomie) vinden in oppositionele gelederen aandachtig gehoor.

Het kan geen kwaad als onze nieuw aangetreden minister blijk zou geven van haar interesse voor deze ideeën. Als Nederland weer in de kring van donorlanden mag meepraten zou zij die stoute gedachten zelfs in internationale besprekingen aan de orde kunnen stellen. Denken in termen van opties en alternatieven is geboden, want het mag in Indonesië nooit meer worden zoals het onder Soeharto geweest is.

    • J. Breman