Een geblakerde engel

Hoog in de lucht klonken schoten. Een razendsnelle Messerschmitt werd door een wolk opgeslokt. In het weiland kwam een man aanrennen. Hij zwaaide met zijn armen alsof hij ons iets trachtte door te seinen. Hij leek op een vogelverschrikker die door een stormwind werd gegrepen.

Met een blik over het eiland probeer ik me vijftig jaar later het incident weer voor de geest te halen. Een paar toeristen stappen van hun fietsen. Hun kinderen rennen naar het terras van de snackbar. Ze hebben geen idee van de scène die mijn herinnering boven hun hoofden projecteert.

Mijn moeder, mijn broertje en ik waren indertijd in Den Helder aan boord gegaan. De boot heette 'Marsdiep', naar het water dat ons van de okerachtige streep aan de horizon scheidde. Met de trotse, zwarte schoorsteen en witte gangboorden was het het mooiste schip dat ik ooit gezien had. Het had ons dichter bij de oorlog gebracht.

Aan de overkant werden we opgewacht door een boerenwagen. We zaten in de bak, achter de schommelende kont van het paard, en zochten graankorrels in de naden van het hout. Voor het eerst zagen we het witte kerkje van Den Hoorn dat - met de spitse toren en het lage dak - op een verschrikte vogel leek, die zijn vlerken laat hangen en zijn snavel in de lucht steekt.

We werden ondergebracht bij de dominee. Ons eten werd echter bereid in een naburig pension. Zo werd iedere gemeenschappelijke maaltijd een klein drama. In onze ogen was het eten uit het pension minder lekker dan wat de dominee en zijn vrouw aten. Mijn broertje en ik schoven onze borden terzijde. Mijn moeder probeerde haar gêne achter een zenuwachtige glimlach te verbergen. Het domineespaar deed of het niets merkte. Dagelijks speelde zich een kleine oorlog onder de tafel af, met schoppen, knijpen en dumpen van eten. We waren niet te handhaven. Zelfs niet voor een geduldige dominee. We gingen voor straf naar het pension. Daar begon onze zoektocht over het eiland.

We zagen Russische krijgsgevangenen marcheren, gedrongen mannen met stugge gezichten. We vonden sporen van de verre oorlog, die soms ineens nabij kwam. We troffen hulzen, granaatscherven of in elkaar verwarde slierten zilverfolie, die - naar men zei - uit vliegtuigen werden gedropt om de radar van de vijand te misleiden. De Duitse vloot in de haven van Den Helder was het doelwit.

Als de bommenwerpers dof grommend in aantocht waren, stegen Duitse jagers op. Hun silhouetten scheerden als bloeddorstige insecten over de horizon. Meestal ontging dit adembenemende schouwspel ons, omdat we door luchtalarm naar de kelder werden gedirigeerd. Maar één keer werden we verrast toen een driftig snorrende jager van achter de duinen opdook. We konden de piloot onder het glazen dakje van de cockpit onderscheiden. Hij zette zijn motor af en gleed op ons toe. We zwaaiden. Hij vuurde. Kogels ploften dof in het zand, dat in wolkjes opstoof. De wind die het overkomende toestel in zijn kielzog voerde, sjorde aan het hoge gras. We doken in een greppel en snikten. Het toestel draaide in een grote boog en verdween alsof het ons een lesje had willen leren. Maar we bleven overmoedig.

Even buiten het dorp hadden we een koets ontdekt. Deze was, naar het ons leek, in een wilde vlucht - want hij zat vol kogelgaten - achtergelaten in het weiland. Aan weerszijden van de bok prijkten koperen lantaarns die dienst hadden gedaan bij avondlijke of misschien wel nachtelijke ritten over het eiland in vredestijd. Achter de bok was tussen hoge achterwielen het compartiment voor passagiers. We openden het zwart gelakte portier en klommen via een opstapje in het met fluweel beklede interieur. We maakten lange reizen. We trotseerden regen en wind die over de lage duinen kwamen aanhollen. Als de zon scheen, schoven we de vensters open.

Op een dag zagen we een Messerschmitt uit een duikvlucht in de wolken verdwijnen. Tegelijkertijd kwam een man door het weiland aanrennen. Hij sleurde ons zonder uitleg uit de koets. We verloren onze klompen en dansten op kousenvoeten achter hem aan. Het kostte me moeite mijn evenwicht niet te verliezen. Ik begreep dat het ernst was.

Ik zag een bommenwerper dalen. Hij leek recht op ons af te stevenen en trok een spoor van zwarte rook achter zich aan. De driftige propellors, die doorzichtige cirkels aan weerszijden van de cockpit tekenden, leken niet in staat het vlammende gevaarte in de lucht te houden. Het braakte vuur als een draak. Het was indrukwekkend. We wilden zien hoe het de grond zou raken, door het weiland zou ploegen. We werden een huis in getrokken.

Pas toen een langgerekt signaal 'einde luchtalarm' had afgekondigd, mochten we naar buiten. Het was stil. Beide partijen hadden het slagveld verlaten. Door de dorpsstraat naderden mensen. Ze ondersteunden een man in een witte overall. Het leek een scène uit een opera waarin de wind huilt en mensen op een strand het lijk van een verdronken visser meezeulen. De groep kwam dichterbij. Ramen, deuren gingen open. Niemand zei iets. Ik hoorde alleen het schuifelen van schoenen rond de witte man. Hij was niet in staat zijn hoofd rechtop te houden. Alsof slaap hem overmande. Zijn gezicht was gehavend en zijn witte overall vertoonde zwarte schroeiplekken. Een geblakerde engel aan de hel ontsnapt. Misschien was het de vlieger die zich uit het toestel had weten te bevrijden. Misschien was het een held die een reddingspoging had ondernomen. Net als de man die ons had meegesleurd. Niemand gaf ons uitleg. We keken toe, dronken van opwinding en nieuwsgierigheid. Nooit was de oorlog zo nabij geweest.

De toeristen verlaten de snackbar, ze fietsen de dorpsstraat uit, langs het pension en het huis van de dominee. De kinderen met oranje vlaggetjes volgen in hun kielzog.