De grote steden zijn nu zelf aan zet

Minister voor spek en bonen, zo duidde het CDA de minister voor Grote Steden en Minderheden aan, die op het laatst uit de formatie-jackpot tevoorschijn kwam. De jongste minister, R. van Boxtel (D66), wordt door menigeen een weinig benijdenswaardige positie toegeschreven. Een minister zonder portefeuille te midden van zoveel zwaargewichten met portefeuille: kan dat wel goed gaan? Hoe overtuigend is een ministerspost die er pas op het laatste moment is gekomen, omdat D66 een derde plek in het kabinet moest hebben. Kennelijk ging het niet om een politieke prioriteit vanaf het eerste begin.

Toch is de vijftiende minister op de valreep een goede uitvinding. We hadden in Paars I staatssecretaris Kohnstamm (D66) voor het grotestedenbeleid. De commissie-Brinkman, die dit beleid evalueerde, was positief en pleitte voor meer integratie, zowel tussen de departementen als tussen gemeentelijke beleidssectoren. Voorts pleitte deze commissie voor een beter geprofileerd stedelijk investeringsbeleid en voor een meerjarenperspectief. Een coördinerend bewindsman op ministerieel niveau is een logisch vervolg op de basis die Kohnstamm heeft gelegd.

In het regeerakkoord van Paars II komt het grotestedenbeleid goed uit de verf. De thema's werk, onderwijs, zorg, leefbaarheid en veiligheid worden verbonden met het investeren in stedelijke vitaliteit en stedelijke bereikbaarheid. Het gaat om investeren in mensen en om investeren in vastgoed en infrastructuur. Voor het beleidspakket 'vitale steden' wordt tot en met 2010 een bedrag van 4,8 miljard gulden uitgetrokken. Daar komt voor stedelijk en regionaal openbaar vervoer 4,0 miljard bij. Daarmee is een aanzienlijk betere financiële basis geschapen dan bij het begin van Paars I het geval was, al blijven er nog (te) veel stedelijke investeringsbehoeften ongedekt. Positief is voorts dat het Gemeentefonds reëel met twee miljard gulden zal toenemen. De steden kunnen dit bedrag mede inzetten voor stedelijke investeringen. Voorts zullen ook de steden profiteren van forse bedragen die zijn uitgetrokken voor infrastructuur voor personenvervoer en voor inpassingskosten van infrastructuur.

Niet onbelangrijk is dat minister Peper een scherp oog heeft voor de problematiek van de grote steden. Van Boxtel, mag van Peper dan ook een maximale ondersteuning verwachten.

In het regeerakkoord van Paars II wordt vermeld dat de adviezen van de SER (over het grotestedenbeleid en de toekomstige ruimtelijk-economische structuur van Nederland) de basis vormen voor het grotestedenbeleid. Deze adviezen behelzen een vergaande departementale coördinatie, uitmondend in een aantal met elkaar samenhangende fondsen, waaruit de steden kunnen putten, als de door hen op te stellen ontwikkelingsvisies door het rijk zijn aanvaard. Mocht leden van het kabinet de portee van deze adviezen niet helder voor ogen staan, dan kan de nieuwe minister van Sociale Zaken, De Vries, zijn collega's de weg wijzen: hij was als SER-voorzitter voor beide adviezen verantwoordelijk. De SER adviseerde voorts om duidelijk te maken welke steden onder het grotestedenbeleid vallen, en welke niet. Ook dat advies vraagt om politieke daden.

Het grotestedenbeleid staat of valt in de praktijk met het vermogen van de direct betrokken departementen om samen te werken. Enerzijds gaat het om de belangrijkste investerende departementen: Economische Zaken (onder meer herstructurering bedrijventerreinen), VROM (stedelijke vernieuwing en sleutelprojecten), Verkeer en Waterstaat (autowegen, openbaar vervoer) en Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (groen in de stad). Anderzijds gaat het om de departementen die tijdens Paars I al bij het grotestedenbeleid waren betrokken, zoals Sociale Zaken (Melkert-banen), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ouderenzorg, verslaafdenzorg), Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt) en Binnenlandse Zaken (veiligheid, leefbaarheid, integratie minderheden).

Van Boxtel doet er verstandig aan de politieke ambities van zijn collega's en de ambtelijke expertise van de betrokken departementen te mobiliseren om het grotestedenbeleid op een hoger plan te tillen. De credits voor dat beleid hoeven zeker niet alleen naar de minister zonder portefeuille te gaan. Als bijvoorbeeld in 2000 het VROM-Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing begint, mogen Pronk en Remkes daarop worden aangesproken.

Cruciaal is dat de minister-president in de komende jaren het grotestedenbeleid ondersteunt en eventueel dreigende patstellingen tussen departementen weet te doorbreken. Over steun van Kok heeft Kohnstamm niet te klagen gehad. Van Boxtel mag naar verwachting op ten minste deze zelfde steun rekenen.

Al met al zijn er heel wat succesfactoren voor het grotestedenbeleid van Paars II aanwezig: een veelbelovend regeerakkoord, de gezaghebbende SER-adviezen terzake, affiniteit met de problematiek op tal van departementen (tot en met LNV toe), een veelbelovende minister Grote Steden en Minderheden, en expliciete steun van de minister-president.

Of het uiteindelijk wat wordt, hangt echter primair af van de samenhang in het rijksbeleid en van de creativiteit van stadsbesturen, gemeenteambtenaren en de coalities die de gemeenten weten te sluiten met het bedrijfsleven, beleggers, ontwikkelaars, woningcorporaties, burgers en buurgemeenten. De grote steden zijn nu zelf aan zet. Zij hadden een slechtere uitgangspositie kunnen treffen dan nu bij het begin van Paars II het geval is.