Paars II vertoont fundamentele gebreken

Een regeerakkoord als vechtagenda, beleid dat botst met partijbelangen en de vele prima donna's bedreigen een lange levensduur van Paars II. Dat is de mening van M.P.C.M. van Schendelen, die betreurt dat Nederland tijdens formaties geen voorbeeld neemt aan België waar het kabinetsbeleid tijdens een goed diner wordt bepaald.

Paars II is een feit en premier Kok is er trots op. Het is 'met hard werken' gelukt. Maar is dit wel de juiste manier? En hoe solide is het resultaat? Op de eerste vraag is een korte vergelijking met België op zijn plaats. Daar heeft een kabinet gemiddeld een kortere levensduur dan bij ons, maar het wordt ook sneller in elkaar gezet. De langste formatie ooit (1988) duurde daar ongeveer 100 dagen: evenlang dus als die van Paars II - bij ons één van de snellere formaties. Wat het aantal demissionaire dagen betreft ontlopen de twee buurlanden elkaar weinig. In België is een kabinetsformatie trouwens vaak een verhulde kabinetswijziging. Na Dehaene II is er Dehaene III, zoals er ook Martens VIII was. Het oogt instabiel, maar het is wel efficiënt. Paars I bleef zeulen met Sorgdrager op Justitie, Voorhoeve op Defensie en Ritzen op Onderwijs. In België zou men tussendoor Paars II hebben gevormd. Dat is praktischer dan al die ballast.

In België wordt een kabinet heel anders geformeerd dan in Nederland. De zuiderburen volgen de culinaire methode: op een kasteeltje met een gerenommeerde keuken zoekt men in een plezierige ambiance de punten van overeenstemming en maakt men van politieke vrienden een kabinetsteam. Daar heeft men het ('katholieke') optimisme dat het vervolgens wel enige tijd zal boteren. Bij ons hanteerden bij uitzondering Van Agt en Wiegel in 1977 deze methode: zij bleven de volle vier jaren aan. Gebruikelijk bij ons is de bureaucratische methode, waarvan Paars II nu het schoolvoorbeeld biedt: informateurs verkennen 'het mijnenveld', onderhandelaars worden ingezet, punten van meningsverschil geïnventariseerd en hieromheen worden werkgroepen en subwerkgroepen opgericht om compromissen te verzinnen. De waslijst meningsverschillen wordt vervolgens omgebouwd tot een regeerakkoord van 85 bladzijden cryptische afspraken. Daarna gaat men nog eens onderhandelen over ministeries, posten en personen. Bij ons heerst een ('gereformeerd') pessimisme dat wij gedoemd zijn tot wantrouwen en mislukking. Zelfs als er nauwelijks een mijnenveld is, dan komt het er wel dankzij de bureaucratische methode.

Is er nu een solide resultaat bereikt? Op het eerste, staatsrechtelijke gezicht wel. Het kabinet behoeft immers de steun van een parlementaire meerderheid. Die is inmiddels aan het regeerakkoord gebonden. De staatsrechtelijke achillespees van het kabinet is afgedekt. Dankzij de sterke doorstroming van leden zijn er nauwelijks te duchten dwarsliggers. Van de maar liefst 73 nieuwe Tweede Kamerleden behoren er 49 tot de paarse fracties: 45 procent van hun leden. Voorlopig zijn zij druk bezig met het leren van het Binnenhofse métier. Onder de hoede van Melkert, Dijkstal en De Graaf zijn zij (om met de vroegere kamervoorzitter Anne Vondeling te spreken) lammeren, geen leeuwen. Het kabinet kan zijn gang gaan. Maar daarin loopt het tegen constructiefouten op, die zich wreken zowel in de interne verhoudingen als die met het ambtelijke apparaat en de maatschappelijke organisaties.

Een eerste constructiefout is dat het regeerakkoord weinig inhoudelijke 'deals and wheels' bevat. Rondom meningsverschillen zijn vooral piketpaaltjes geslagen: afspraken over procedures, werkverdeling en personen, meestal vervat in cryptische taal die interpretatieruimte biedt, dus vechtruimte. Uiteraard kent elk kabinet, hoe ook gevormd, interne verschillen, maar in dit geval zijn er 85 bladzijden regeerakkoord als extra munitiedepot.

In de tweede plaats zijn bepaalde geschilpunten riskant ondergebracht. Grote infrastructuurwerken zoals Schiphol en de aanleg van snelwegen vallen onder de ministeries van Verkeer en Waterstaat en VROM, die beide in handen zijn van de PvdA. De sociaaldemocraten zoeken in de eerste plaats naar conflictbeheersing binnen hun eigen partij en kunnen met de uitkomst de VVD onaangenaam verrassen. Omgekeerd kan hetzelfde zich voordoen bij de bezuinigingen op Defensie, het enige ministerie met de minister én de staatssecretaris uit één partij, de VVD. Zal deze inderdaad contre coeur bezuinigen, met alle irritaties vandien in de achterban? Vele andere spannende beleidsdossiers liggen nu al op de as PvdA-VVD, zoals die inzake openbare orde (Peper, Korthals), sociaal-economisch beleid (Klaas de Vries, Jorritsma) en Derde Wereldbeleid (Herfkens, Van Aartsen).

Intussen moet D66 zich duchtig profileren via de minister voor Grote Steden en Minderheden Van Boxtel die zonder portefeuille is ondergebracht op Binnenlandse Zaken. Daar loopt hij op tegen minister Peper die zichzelf 'de architect van het grote stedenbeleid' noemt. D66 zou dus wel eens kunnen uitstappen en vormt zo de niet afgedekte achillespees van het kabinet.

Een derde constructiefout is het hoge prima donna-gehalte van het kabinet, vooral onder de PvdA-leden, de zogeheten zwaargewichten, voorzien van een sterk beleidsego. Peper (Binnenlandse Zaken), Pronk (VROM) en Netelenbos (Verkeer en Waterstaat) vinden al gauw dat zij gelijk hebben en dus gelijk moeten krijgen. In het politieke métier van 'geven om te kunnen nemen' oftewel consensusvorming zijn zij geen veteranen. Zij zorgen wel voor conflicten.

Niet bekend

Inmiddels zijn de bewindspersonen beëdigd en op het ministerie met de uitvoering van het beleid begonnen. Zij denken er de baas te zijn. Staatsrechtelijk is dat zo, maar zijn zij het ook in werkelijkheid? Vanaf de eerste dag wordt hen de maat genomen door topambtenaren. Zij kunnen een onwetende minister maken of breken. Pronk op VROM en De Grave op Defensie hebben hun topambtenaren vooralsnog alleen hun sympathie voor het beleidsveld te bieden. Maar wat mag men verwachten op Verkeer en Waterstaat en Landbouw, waar respectievelijk twee onderwijzeressen en twee burgemeesters de scepter mogen zwaaien en ten minste één (Netelenbos) steevast gelijk meent te hebben? Zij lopen grote kans in conflict te raken met topambtenaren en dus hun invloed op het beleid te verliezen. Hier wreekt zich dat het kabinet deels is samengesteld niet vanuit de agenda van de overheid, maar vanuit die van een partij.

Het Brusselse speelveld is extra glibberig en vraagt dus om getrainde personen. Daar wordt dan ook een groot deel van de Haagse agenda geconditioneerd. Zijn de bewindspersonen vertrouwd met Brussel en met de Europese Raad van Ministers? Kunnen zij hun ministerie terzake goed aansturen? De VVD'ers Zalm, Jorritsma en Van Aartsen alsmede D66'er Borst hebben bewezen dat ze dit kunnen. Maar wat mag men bijvoorbeeld verwachten van Klaas de Vries in de Europese Sociale Raad, Netelenbos in de Transportraad en Telecomraad, en Apotheker in de Landbouwraad en Visserijraad, vijf voor onze welvaart vitale Europese Raden? In Brussel kunnen zij stevig onderuit gaan.

Formele Haagse macht botst snel op maatschappelijke hindermacht. Private lobby's maken bovendien - achter de ruggen van bewindspersonen om - hun deals met departementale ambtenaren, lagere overheden, bestuursorganen, Brusselse invloedsgroepen en elkaar. Beschikken de nieuwe bewindslieden over de specifieke veldkennis en de bestuurlijke souplesse om hiermee om te gaan? Er is weinig fantasie nodig om de ruzie te voorzien die Peper krijgt met de vakbeweging (arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren) of met de sportbonden (openbare orde, met als speciaal dossier het EK-voetbal in 2000). Op Landbouw moet minister Apotheker, meer nog dan zijn voorganger, balanceren tussen de sterke en rumoerige organisaties van boeren en milieubeweging. Kan Klaas de Vries de sociale partners overtuigen dat hun voorstel inzake de Uitvoering Sociale Zekerheid, dat hij als SER-voorzitter nog zelf verdedigde, toch niet deugt? Wat mag men verwachten van minister Netelenbos te midden van pressiegroepen van vervoer, infrastructurele bouw en telecommunicatie?

Concluderend moet men uiteraard stellen dat niemand het lot van Paars II kan voorspellen. Het optimisme van premier Kok is begrijpelijk, maar even gratuit als enig pessimisme. Intelligente bewindspersonen kunnen groeien in hun rol: onderling wantrouwen overwinnen, greep krijgen op het ministerie en op Brussel en zakendoen met maatschappelijke organisaties. Zogenaamde toevalsfactoren, ten goede of ten kwade, spelen altijd een rol. Maar op dit moment kunnen in de constructie van Paars II wel enkele zwake plekken worden geconstateerd: een regeerakkoord als vechtagenda, een beperkte profileringskans voor D66 en vooral Van Boxtel, de samenvalling van gevoelige beleidstegenstellingen met partijpolitieke, de vele prima donna's op een te klein beleidspodium, de ingebouwde spionage die kan gaan irriteren, de vakvreemdheid van sommige bewindspersonen, de onbekendheid met Brussel van deels anderen en de afstand tot de maatschappelijke drukgroepen. Op de ministeries van Verkeer en Waterstaat en VROM treft men vele manco's tegelijk aan. Wie van wedden houdt, zal niet gauw een groot bedrag inzetten op vier jaar Paars II.

Voor een deel zijn deze constructiefouten een gevolg van onze bureaucratische formatiewijze, die uitgaat van meningsverschillen en wantrouwen voedt. De Belgische methode verdient positieve herwaardering: rond een mooie dinertafel en met een goede sigaar uitgaan van wat bindt. Op deze wijze kunnen constructiefouten ook tussentijds worden hersteld. Dan hebben wij wellicht volgend jaar, op Belgische wijze, zonder extra verkiezingen, een wijziging van regeerakkoord en kabinet, die Paars III heet. Dit is efficiënter dan het gehannes met gebreken en het zeulen met brekebenen.