Ontploft regenboogje

Alleen al om de vogelnamen is het een genoegen om 'Het Maleise Eilandenrijk' van Alfred Russel Wallace te lezen. “De jagers kwamen thuis met een kroonduif, een paradijsvogel in prachtkleed, een paar mooie Papoease lori's, een bootstaart, een roodbuikkookaburra en een vlagstaartijsvogel.” The Malay Archipelago is voorbeeldig vertaald.

Vaker gebeurt het dat vertalers of schrijvers van reisgidsen waar het vogelnamen betreft een steekje laten vallen. In een wandelverhaal over de Faeröer, dat een paar jaar geleden in Op lemen voeten stond afgedrukt, las ik het volgende. 'Overal liggen rotsblokken. Schapen staan rustig te grazen en schenken geen aandacht aan voorbijgangers. De Oestereters, de nationale vogel van de Faeröer, klapperen wild met hun vleugels vlak boven mijn hoofd.' De vertaling van het Engelse oystercatcher is weliswaar oestervanger of oestereter, maar in Nederland heet deze vogel gewoon scholekster.

In 1990 kwam er een Nederlandse vertaling uit van een Amerikaans reisboek dat zich geheel en al in noordelijke streken afspeelde. In 'Uiteinde van de wereld' vertelt Lawrence Millman sappige verhalen over zijn trektochten over de Hebriden, de Faeröer, IJsland en Groenland. Zijn reis wordt begeleid door het indringende gekrijs van jagers die hem uit hun broedgebied willen verdrijven. De vertaler heeft het echter niet over de Grote en de Kleine jager, maar over de 'grote skua' en de 'poolskua'. Ook hier stelt hij zich tevreden met de letterlijke weergave van het Engelse 'great skua' en 'arctic skua'.

In het 'Reishandboek IJsland', dat vorig jaar bij Elmar verscheen, wordt de vogelwereld ook geweld aangedaan. Over de jan-van-gent krijgen we te horen dat hij vogels achterna zit, totdat deze hun prooi laten vallen. 'Om dezelfde reden wordt menigmaal zelfs de staart van een andere vogel vastgepakt.' Hier lijkt het gedrag van jagers de auteur parten te spelen. De ware jan-van-gent pakt geen andere vogels bij de staart, maar suist vanaf grote hoogte in zee. Men heeft zelfs eens een stuk wrakhout gevonden dat deze vogel noodlottig was geworden. Hij had zijn nek op deze nep-prooi, die waarschijnlijk een eindje onder het wateroppervlak dreef, gebroken. Samen met de dode vogel, wiens snavel diep in het zachte hout was gedreven, spoelde de plank aan.

In het reishandboek valt mij nog iets anders op. Onder het kopje harlekijneend lees ik: 'Kleurige eend, die elk jaar uit Amerika komt overvliegen om op IJsland te broeden.' Dat klopt. 'Als een giervalk zich in dolle vaart op hem stort, is het net of er een regenboogje ontploft.' Dat is een aardig beeld, tenminste wanneer het slachtoffer een mannetje is. Het beeld is zó aardig dat ik het onmiddellijk herken - haast blindelings grijp ik naar het boek dat Jan Strijbos in de jaren dertig over IJsland schreef ('In het zog van Raven-Flóki'). Hij bracht een paar 'gelukkige dagen' op het noordelijke eilandje Grímsey door en zette zijn schuilhutje aan de oevers van het Muggenmeer neer. Daar lette hij vooral op het gedrag van nestelende kuifduikers (een soort fuut).

Als IJsland-kenner begeleid ik deze zomer een aantal reizen naar dit noordelijke eiland. Met Strijbos in de hand loop ik met de groep ook langs het Muggenmeer. De kuifduikers, met hun gouden oorpluimen, broeden er nog steeds. Hetzelfde geldt voor de harlekijneenden. Ter plekke wilde ik het mooie zinnetje over het ontplofte regenboogje opslaan, maar het was spoorloos uit de tekst verdwenen. Verbaasd bladerde ik door het boek, maar nee, nergens een regenboogje te bekennen.

Een deelnemer merkte glimlachend op dat ik in het verkeerde boek bladerde. Hij ried mij aan mijn eigen 'Land van grote eenzaamheid' (1987, uitverkocht) er nog maar eens op na te lezen. En jawel, daarin blinkt de passage over de giervalk en de harlekijneend in alle helderheid op.

Toch blijf ik het gevoel houden dat het een geleend zinnetje is. Maar nu Strijbos niet thuis geeft, heb ik geen idee waar het vandaan komt. Misschien sla ik mezelf wel te laag aan.