Kabila's Congo riskeert een breuk met het oosten

Na de 'broederband' tussen Ethiopië en Eritrea staat nu ook het bondgenootschap tussen Congo en Rwanda op springen. Kabila zet de Rwandezen die hem aan de macht hielpen het land uit, soldaten in Oost-Congo komen in opstand en Tutsi-ministers slaan op de vlucht. Kabila offert het oosten aan machtsbehoud.

ROTTERDAM, 4 AUG. Met één korte televisietoespraak was het pleit beslist. Op dinsdag 28 juli kondigde president Laurent-Désiré Kabila van Congo aan dat alle Rwandese militairen - zijn stoottroepen bij de verdrijving van dictator Mobutu Sese Seko in mei vorig jaar - het land moesten verlaten. Wat Kabila precies bewoog tot deze abrupte beslissing, is onduidelijk. Feit is dat de gevolgen inmiddels niet zijn te overzien.

In de oostelijke provincies Noord- en Zuid-Kivu revolteren door etnische Tutsi's bemande legereenheden tegen de regering in Kinshasa. In de hoofdstad braken dit weekeinde gevechten uit tussen achtergebleven Rwandese militairen en Kabila-getrouwe troepen en werd gisteren een avondklok ingesteld. Twee vooraanstaande Tutsi's in Kabila's kabinet namen de wijk naar het buitenland. De staatsradio in Kinshasa beschuldigt “Rwandese elementen” ervan onrust te stoken en het door rebellerende soldaten bezette radiostation van de grensstad Goma roept de Congolezen op om Kabila uit Kinshasa te verdrijven.

Het bondgenootschap tussen Congo en Rwanda, geboren uit de gezamenlijke weerzin tegen Mobutu, die moorddadige Hutu-milities uit Rwanda de helpende hand rijkte, lijkt verbroken en de binnenlandse coalitie waarop Kabila in zijn eerste jaar als president steunde, spat uiteen.

Minister van Justitie Mwenze Kongolo leek gisteren de brand te willen blussen toen hij zei dat “er geen bewijzen zijn dat de regering van Rwanda is betrokken bij de onrust in Kinshasa en Oost-Congo”. De regering in Kigali rept van een “binnenlandse aangelegenheid” en beweert dat alle Rwandese troepen Congo hebben verlaten.

Maar de tekenen wijzen op het tegendeel. Buitenlanders in Bukavu, Zuid-Kivu, melden dat Rwandese soldaten sinds dit weekeinde weer opvallend aanwezig zijn in het straatbeeld. Gevraagd of het leger van Rwanda de Banyamulenge (Congolese Tutsi's van Rwandese afkomst) in Oost-Congo te hulp zal snellen als zij worden belaagd, zei de chef defensiestaf in Kigali gisteren: “Die steun hangt af van de situatie te velde”.

Er is een precedent. Toen de Banyamulenge in het oosten van Congo (toen nog Zaïre) in het najaar van 1996 in opstand kwamen tegen de regering-Mobutu, die hen wilde verdrijven, intervenieerde het Rwandese leger, alle ontkenningen ten spijt. Die inval was het startsein voor een zeven maanden durende campagne, die uitmondde in de val van Mobutu. Aan de intocht in Kinshasa op 17 mei 1997 namen naar schatting 3.500 Rwandese militairen deel.

De Rwandezen hadden Congolese bondgenoten. Op 18 oktober 1996 werd in Oost-Congo de Alliantie van democratische krachten voor de bevrijding van Congo-Zaïre (ADFL) opgericht, een coalitie van vier politieke partijen die zich vonden in hun verzet tegen Mobutu. Eén van de vier partners binnen de ADFL was de Democratische volksalliantie (ADP), een organisatie van Banyamulenge-Tutsi's uit Noord- en Zuid-Kivu. Hun leider was Deogratias Bugera, die na de val van Mobutu opklom tot secretaris-generaal van de ADFL, de dominante partij in Kabila's regering, en begin juni tot minister van staat en rechterhand van de president.

Een ander prominent ADP-lid was de Banyamulenge Bizima Karaha, een in Zuid-Afrika opgeleide arts, die door Kabila in 1996 naar Congo werd gehaald en al voor de val van Kinshasa werd benoemd tot commissaris (later minister) van Buitenlandse Zaken. Bugera en Karaha zijn volgens de laatste berichten naar het buitenland gevlucht.

Er trokken zich al lang donderwolken samen boven het Rwandees-Congolese bondgenootschap en Kabila's coalitie. Zowel in de hoofdstad Kinshasa als in Oost-Congo stuitte de prominente aanwezigheid van Rwandese en Congolese Tutsi's in Kabila's nieuwe leger op weerzin. Die wortelde deels in vooroordelen, deels in feiten. De voormalige Tutsi-guerrillastrijder Masasu Nindaga, die tijdens de campagne in Oost-Congo verantwoordelijk was voor de recrutering van jonge soldaten voor het ADFL-leger, gedroeg zich in Kinshasa als een ware krijgsheer en werd eind vorig jaar tot twintig jaar veroordeeld omdat hij er een privé-militie op na zou houden.

In februari raakten Banyamulenge-soldaten in Oost-Congo bloedig slaags met niet-Tutsi-eenheden. Die laatsten verweten 'Kinshasa' Rwandezen en Banyamulenge voor te trekken door hun wedde uit te betalen in dollars. Het conflict werd bijgelegd door de toenmalige landmachtchef, de Rwandese Tutsi James Kabare. Begin juni werd hij door Kabila ontslagen. Volgens buitenlandse hulpverleners is hij dezer dagen opgedoken in Bukavu.

Kabila, een etnische Muluba uit de zuidelijke koperprovincie Katanga, zag zich de laatste maanden geplaatst voor een lastige dilemma, geboren uit een toenemend internationaal isolement. Buitenlandse donoren hebben nog onvoldoende vertrouwen in Kabila's economische beleid en het uitblijven van materiële verbeteringen verminderde zijn binnenlandse krediet. De buurlanden Oeganda en Rwanda hielpen hem aan de macht in de hoop zo hun veiligheidsprobleem in het grensgebied - Oost-Congo als uitvalsbasis voor rebellen - te verminderen, maar raakten teleurgesteld in Kabila's daadkracht. Zij vernederden hem door demonstratief weg te blijven bij de eerste verjaardag van de intocht in Kinshasa. Het gerucht gaat dat Angola - Kabila's derde bondgenoot - hem heeft laten vallen omdat hij de diamantsmokkel via Congo door de Angolese oppositiebeweging UNITA niet afdoende heeft geblokkeerd.

Verstoken van buitenlandse vrienden trachtte Kabila zijn binnenlandse basis te verbreden. Eind mei hief hij de interne ballingschap op van oppositieleider Étienne Thisekedi, een veteraan uit het politieke verzet tegen Mobutu die kan bogen op brede steun in Kinshasa en in zijn geboortestreek Kasaï. Tenslotte gaf Kabila toe aan de anti-Rwandese en anti-Tutsi-sentimenten onder velen van zijn landgenoten en wees hij alle Rwandese militairen het land uit.

Daarbij loopt hij enorme risico's. Terwijl een nieuw nationaal leger nog in opbouw is, bruuskeert en verdrijft hij zijn beste soldaten. In de tweede plaats dreigt door deze maatregel een heksenjacht op alles wat Tutsi is, wat de spanningen met buurland Rwanda alleen maar verder doet oplopen. Dat kan in de verleiding komen om met behulp van plaatselijke Tutsi's een veiligheidszone te creëren in Oost-Congo. De macht in Kinshasa lijkt Kabila wel een opstand in Kivu waard. Misschien is hij vergeten dat de val van zijn voorganger werd ingeluid door een schokgolf uit het oosten.