Een panorama op miniatuurformaat

Tentoonstelling: Schetsboeken en tekeningen in waterverf van Paul Tétar van Elven. Museum Paul Tétar van Elven, Koornmarkt 67, Delft. Di t/m zo 13-17u, t/m 25/10.

Wonderlijk klein waren de schetsboekjes waarmee Paul Tétar van Elven (1823-1896) naar buiten trok. Vond hij het lastig om veel te sjouwen? Alleen al zijn penselen en blokjes waterverf moeten zwaarder zijn geweest dan de schetsboekjes zelf. Negen van die schetsboekjes liet de schilder na, en de meeste daarvan zijn deze zomer te zien in zijn oude woonhuis in Delft.

Vaak gebruikte hij ze liggend opengeslagen, zodat het beeld een smalle strook vormt, een panorama op miniatuurformaat. Dat vulde hij dan met een gezicht op zee en duinen, of een van de Delftse stadspoorten. De Koepoort bijvoorbeeld, met een eindeloos lang bruggetje over het water van de stadsgracht, wat het geheel nog een extra horizontaal accent geeft.

Die opengeslagen schetsboeken met stadsgezichten, waarin bijna altijd een gebouw weerspiegeld wordt door roerloos water, zijn het mooiste dat Tétar de wereld heeft nagelaten. Teder, transparant en tijdloos zijn ze, anders dan Tétars olieverfschilderijen, die een haast beklemmend negentiende-eeuwse uitstraling hebben.

Tétar van Elven was een echte academieschilder, eerst opgeleid en later zelf docent aan de Koninklijke Academie in Amsterdam. Hij schilderde taferelen uit de vaderlandse historie, zoals 'Het verzoek om genade aan Prins Maurits door de moeder en de echtgenote van Reinier van Oldebarnevelt', waarmee hij in 1846 nog een dubbele zilveren medaille won van het genootschap Felix Meritis. Ook schilderde hij graag jonge moeders met wanhopig ten hemel geslagen blik, en kopieerde hij vlijtig naar oude meesters zoals Raphael.

De vaderlandse geschiedenis was ook het onderwerp van een levensgroot panorama dat Tétar van Elven in zijn eigen tijd beroemd maakte: het Panorama aan de Plantage in Amsterdam dat in 1880 open ging, en het Beleg van Haarlem tot onderwerp had.

In het grachtenhuis aan de Koornmarkt in Delft waar hij in 1864 ging wonen, omringde Tétar zich met schilderijen en porselein, prenten en meubels, veelal uit de zeventiende eeuw. Na de dood van zijn veel jongere vrouw in 1926 werd het huis volgens de wens van de schilder een museum. Dat is het nog steeds, en het verkeert nog vrijwel helemaal in de oorspronkelijke toestand. Daarmee is Museum Paul Tétar van Elven een hoogst zeldzaam voorbeeld van een gaaf negentiende-eeuws interieur in de 'schilderachtige' stijl. Het is alleen in de zomer geopend, omdat het niet verwarmd kan worden.

Behalve de schetsboekjes zijn op de kleine tentoonstelling ook figuurstudies te zien, pentekeningen - een van een strijkkwartet rond een tafel met een olielamp er op, de cellist moet Tétar zelf zijn - en portretten. Maar het mooiste zijn de opengeslagen boekjes. Het kleinste, ongeveer 9x13 cm, is opengeslagen bij een strandgezicht: rechts liggen zes bomschuiten langs een groenige zee, links zit een vissersmeisje op een duin, gekleed in rose, bruin en rood met een wit mutsje op. Het weer is half-bewolkt, en aan de einder licht de zee even op met een zilverwit streepje. Je ziet niet vaak zo'n weidse ruimte, weergegeven op zo weinig ruimte.