Een literaire kroegentocht

Nieuw Wereldtijdschrift . Uitg. Atlas. ƒ 11,50

Avond aan avond speelde Trotski schaak in Café Central in Wenen, in een Münchens café moest Bertolt Brecht kiezen tussen Marianne en Bi, in Les Deux Magots en de Flore regeerden Sartre en De Beauvoir, terwijl in De Kroon in Boedapest Györgi Konrád nog altijd zijn hofhouding voert. Literaire cafés door de eeuwen heen is het thema van een mooi geïllustreerde reportage in het Nieuw Wereldtijdschrift. Een beetje geromantiseerd is het verhaal wel. “Cafés zijn steencirkels voor de heidense eredienst van het woord, tempels van het vrije denken. Journalisten schrijven er hun stukken en zoeken er vermaak na arbeid. Hun kantoren bevinden zich om de hoek.”

Zo was het vroeger misschien, toen de meeste krantenredacties zich nog bij elkaar op een kluitje in de binnensteden bevonden en bovendien kopij nog met de hand geschreven kon worden ingeleverd. Tegenwoordig tikken journalisten hun stukjes achter een bureau, meestal gevestigd in een saaie buitenwijk of, nog erger, op een industrieterrein. Misschien brengt de laptop hier binnenkort weer verandering in.

Oude tijden kunnen dan herleven. In afwachting daarvan ademt het verhaal in het NWT vooral nostalgie. Het lijkt bestemd voor mensen die op reis gaan en aardige pleisterplaatsen zoeken om te schuilen voor de regen. Het schitterende café Slavia aan de Moldau in Praag, gelegen tegenover het theater Narodni Divadlo, wordt geportretteerd, Greco in Rome en natuurlijk La Coupole aan de Boulevard Montparnasse in Parijs. Een tijdlang leek La Coupole een sovjet-ambassade te zijn waar Ehrenburg, Eisenstein en Prokofjev te gast waren. Maar ook Man Ray en Marcel Duchamp kwamen er regelmatig, evenals Miller en Hemingway. Fragmentarisch en ietwat impressionistisch geschreven is de literaire kroegentocht wel: er staat weinig in over de geschiedenis van de beroemde etablissementen en de vraag hoe en waarom sommige cafés in bepaalde periodes ontmoetingsplaatsen konden worden van schrijvers en kunstenaars wordt niet gesteld.

Fragmentarisch is ook het artikel van Mark Schaevers onder de titel 'De verdwijning van de schrijver'. Zijn onderwerp, de vraag wat de gevolgen van literaire interviews zijn voor schrijvers en hun werk, is interessant genoeg, maar het antwoord blijft steken in eenzijdigheid. Schaevers' impliciete stelling is dat schrijvers de dupe zijn van interviewers die potentiële lezers weghouden van het literaire werk. Om dit te staven citeert hij allerlei schrijvers die zich - in interviews, dat wel - beklagen over interviewers. Zo schijnt Rudy Kousbroek ooit beweerd te hebben dat het literaire interview een vorm van diefstal is. “Iemand stelt een schrijver wat vragen, hij schrijft de antwoorden op, en zet er vervolgens zijn naam onder.” Met instemming parafraseert Schaevers vervolgens de oplossing die Kousbroek zou hebben aangedragen: “niet de interviewer, maar de geïnterviewde zou het stuk persklaar moeten maken, met zijn naam eronder.” Ja, denk ik, als ik zoiets lees: dat zouden politici ook wel willen, de regie over hun eigen interviews, maar zodra aan die wens gevolg wordt gegeven is het afgelopen met de onafhankelijke journalistiek. Het begint overigens al usance te worden dat vraaggesprekken door PR-functionarissen moeten worden 'geautoriseerd'.

Als schrijvers zo'n hekel hebben aan interviews (waarom dat zo is, wordt niet helemaal duidelijk) kunnen ze natuurlijk ook weigeren zich eraan te onderwerpen, maar dat heeft ook zo zijn nadelen. W.F. Hermans zei erover: “Een interview is een merkwaardig en modern verschijnsel, waar je gedeeltelijk aan meewerkt, omdat anders het publiceren in Nederland niet meer mogelijk is.” “Met hun manuscript”, zo voegt Schaevers hieraan nog toe, “leveren schrijvers hun leven in, als bijsluiter, als aas.” Hoewel ik begrijp wat hij bedoelt, vraag ik me toch af of het probleem wel zo eenduidig is. Schrijvers kunnen zich wel degelijk aan publiciteit onttrekken - zie bijvoorbeeld Frida Vogels. Bovendien zijn er genoeg, ook gevestigde, auteurs die het niet hoeven te doen voor de verkoop van hun boeken, maar het juist plezierig vinden om over hun werk te praten of hun mening te kunnen geven over onderwerpen die hen aan het hart gaan.

Wat mij betreft is het schrijversinterview - mits vakbekwaam en gewetensvol uitgevoerd - geen suspect genre. Ik lees graag vraaggesprekken met interessante auteurs, maar ik vrees dat ik er in de toekomst in het NWT vergeefs naar zal zoeken. Niet getreurd, het blad heeft genoeg andere genres in de aanbieding. Overtuigend is in dit nummer het essay 'Een gehavende droom' van Amos Oz waarin hij, mooi formulerend, uitlegt waarom hij kritiek van buitenstaanders op Israel moeilijk kan velen.