De twee appels

We hadden vier kinderen, we waren gelukkig getrouwd, mijn vrouw en ik. Ik had een baan bij wat toen nog de PTT heette en wat mij betreft waren we gewoon zo doorgegaan. Maar een huwelijk, zelfs een goed huwelijk is niet altijd substantieel genoeg om weerstand te kunnen bieden aan zoiets substantieels als bijvoorbeeld een appel.

Er was in onze stad een prinses komen wonen, Atalanta, en ik werd - anders niets voor mij - buiten alle zinnen verliefd op haar. Ze was jong, mooi en aanminnig. Ik was dus niet de enige die verliefd was geworden, er waren vele mannen die haar begeerden, of ze nu getrouwd waren of niet.

Om enige selectie toe te passen liet Atalanta wedstrijden organiseren. Ze kon heel hard rennen. Wie van haar won, mocht met haar naar bed en werd genomineerd voor een tweede ronde. Wie van haar verloor, werd ter dood gebracht.

Ik kende deze geschiedenis een beetje, ik ben op een klassieke school geweest, dus toen ik aan de beurt was, verzon ik een list. Ik kocht twee appels en verstopte ze in mijn broekzakken. Zoals een tennisser een bal in zijn broekzak steekt voor straks. Zo deed ik ook, maar dan met twee ballen.

We liepen aanvankelijk even snel, zij aan zij, maar allengs liep zij op mij uit. Ik greep mijn beide appels en gooide ze haar achterna. Ze zag ze voorbij rollen, twee ballen van goud dacht zij dat het waren. In de tijd die zij nodig had om ze op te rapen, snelde ik haar voorbij en ik bereikte de eindstreep als eerste.

Om dit feit te vieren waren we uitgenodigd door de godin Cybele, die haar vertrekken voor ons beschikbaar stelde en zich vervolgens discreet terugtrok. We waren gezeten in het voorportaal van de goddelijke tempel en Atalanta at haar appel. Nu is er niets ergers in de wereld dan iemand die in z'n eentje een appel eet. De geluiden die daar bij vrijkomen kun je beter niet horen. Dus ik vroeg haar mij die andere appel te geven. Zo aten we allebei een appel. Niet zonder een zekere wellust. Als je elkaar graag mag, geeft het niet hoe ruw je met je tanden de appel doormidden scheurt.

'Gerrit', riep mijn moeder altijd, 'niet je tanden als hefboom gebruiken!' Een raar verbod, dat nergens op sloeg. Wat wist zij nou van hefbomen?

Atalanta lachte. Ook zij gebruikte haar prachtige tanden als hefboom. Ik hoorde hoe ze kauwde en smakte, hoe in haar ruime mond het vruchtvlees van links naar rechts verhuisde, maar dat gaf niet. Ik zat ook te smakken, we hadden er nu eenmaal zin in. In die appels.

We praatten honderduit. Met volle mond. Wat anders erg onbehoorlijk is. Maar een mooie vrouw erg onbehoorlijk zien eten, maakt haar nog extra verleidelijk. Ook ik mocht er wezen. Ik deed m'n best. We hadden geen moeite elkaar te verstaan. We verstonden elkaar heel goed. De zon zakte achter de bomen.

Atalanta mikte het klokhuis in de hoek en wachtte. Ik was de enige nog die een appel at, want de oorlogsjaren hebben mij geleerd klokhuizen geheel en al op te eten, ik hou altijd alleen maar een steeltje over. Atalanta was een stuk jonger.

Ze wachtte tot ik klaar was. 't Gaf geen problemen, maar toch was het beter uitgekomen als we tegelijk klaar waren geweest. Nu moest zij wachten en ik zat uiteindelijk met het steeltje - waar gooi je zoiets heen.

We gingen naar binnen, maar de ontvangst was niet zoals we hadden verwacht. De godin Cybele was furieus. Ze nam ons hardhandig mee terug naar buiten en veranderde ons voor straf in twee gouden leeuwen. Die twee die nu bij de ingang staan. Dat zijn wij.

Atalanta had het over 'een schoonheidsfoutje'. Daarmee bedoelde ze mij. Maar ik weet wel waarom Cybele zo kwaad was. Niet om mij, maar om het klokhuis, dat zo smerig op de tegelvloer lag.

Geen stijl. Nu waren wij twee leeuwen, aan het ingang van de tuin. Om te leren wat stijl was.