De Economist

Tien landen in Centraal- en Oost-Europa zijn momenteel bezig met het invoeren van een systeem van BTW-heffing, te weten Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije, en Tsjechië. Ze doen dat omdat heffing van BTW een absolute voorwaarde is voor het lidmaatschap van de Europese Unie. In De Economist geeft Sijbren Cnossen een overzicht van de stand van zaken.

Het heffen van BTW is essentieel voor het functioneren van de Unie omdat deze vorm van belasting onbruikbaar is voor protectionistische doeleinden. Bovendien is de BTW een stabiele en gemakkelijk aan te passen inkomstenbron voor de overheid. Voor de aspirant-lidlanden is dat belangrijk omdat ze het functioneren van de economie steeds meer overlaten aan de marktkrachten en omdat ze daarom een vorm van belasting nodig hebben die het functioneren van de markt niet belemmert.

De BTW in de kandidaat-lidlanden ligt met een gemiddelde van 20,7 procent wat hoger dan het gemiddelde van 19,3 procent in de lidlanden van de Europese Unie. In deze landen zijn de sectoren onderwijs, gezondheid, financiën en verzekeringen uitgezonderd van de BTW-heffing. De kandidaat-lidlanden passen die uitzonderingen ook toe, maar daarnaast hanteren ze de gereduceerde tarieven of zelfs nultarieven voor bijvoorbeeld basisvoeding.

Toch brengt de BTW voor de aspirantleden naar verhouding meer op dan voor de lidlanden. In Centraal- en Oost-Europa bedraagt de BTW gemiddeld 8,3 procent van het bruto binnenlands produkt en 24 procent van de belastinginkomsten als geheel. In de EU-landen is dat respectievelijk 7,3 en 18 procent.

De auteur betoogt dat de BTW-heffing beter aan haar doel beantwoordt naarmate minder producten en diensten zijn uitgezonderd en naarmate er minder verschil in tarieven is. Hij erkent echter dat het weinig zin heeft om openbare dienstverlening te belasten met BTW, dat onderwijs, gezondheid en sociale dienstverlening onbelast moeten blijven op sociale gronden en dat huisvesting, financiën en verzekeringen buiten beschouwing moeten blijven omdat ze fiscaal-administratief moeilijk zijn te verwerken.

Dat betekent wel dat je goed moet nagaan hoe je die sectoren definieert. Want ook al worden in de kandidaat-lidlanden veel overheidsbedrijven en -diensten geprivatiseerd, de overheidssector blijft substantieel. Voorzover overheidsdiensten bestaan bij de gratie van subsidie is BTW-heffing van overheidsdiensten weinig meer dan een boekhoudkundige oefening. Verder is het de vraag in hoeverre de omvangrijke ontheffing van BTW op veel culturele producten en diensten terecht is, omdat ze concurreren met andere vormen van cultuur die wel belastbaar zijn.

Een aantal aspirantleden past gereduceerde tarieven toe om de lagere inkomensgroepen te ontzien. Op grond van onderzoek uit de jaren '80 concludeert de auteur dat er veel overeenstemming is over het idee dat ontheffing van de BTW-plicht niet goed werkt als middel om inkomensverschillen te verkleinen.

In Ierland bijvoorbeeld besteden de armen relatief meer aan voeding dan de rijken, maar in absolute zin geven de rijken tweemaal zoveel geld uit aan voeding als de armen. Het nultarief op voeding geeft de rijken dus twee keer zoveel belastingvoordeel als de armen. En die redenering geldt natuurlijk ook in de kandidaat-lidstaten.

De Economist verschijnt elk kwartaal en is een uitgave van de Royal Netherlands Economic Association.