De beperkingen van het duurzaam bouwen; De geest behoeft meer dan een zonnecollector

Steeds meer Europese gemeenten ondersteunen het zogenoemde duurzaam bouwen (DuBo). Een aantal kritische architecten vindt echter dat de projecten in Europa lang niet ver genoeg gaan. Zij willen ecologische wijken of 'Eco-villages' die behalve beter voor het milieu ook psychisch gezonder zijn voor de bewoners.

Margrit en Declan Kennedy: Designing Ecological Settlements 1997. Dietrich Raimer Verlag, Berlin, DM 68.

In 1938 bouwden de nazi's aan de rand van een stukje bos bij het Duitse dorpje Steyerberg een munitiefabriek, een gevangenis en enkele tientallen woningen voor bewakers. Na de oorlog huisde er het Britse leger. Vanaf 1977 stonden de huizen en fabrieksgebouwen leeg, tot de eigenaar ze in 1985 voor een paar centen verhuurde aan een groep academici uit Hamburg en Berlijn onder voorwaarde dat ze zelf de renovaties zouden betalen. Inmiddels wonen hier in Lebensgarten negentig volwassenen en dertig kinderen.

Wanneer je er komt is je eerste indruk dat het er goed wonen is. De kleine, gerenoveerde huizen met grote schuine daken kijken uit op het smaakvol aangelegde centrale plein, of op een van de vriendelijk ogende straten naar het plein toe. De kleurrijke wilde bloemen, weelderige struiken, vruchtenbomen en groentes geven de nederzetting een bijna idylisch aanzien. Asfalt is er nauwelijks. Je ziet opvallend weinig auto's.

Wel staan op het plein drie felgekleurde elektrische autootjes. Ze worden opgeladen met elektriciteit, afkomstig van de zonnecellen op het dak van het Zen-meditatiecentrum. “De elektrische auto's kunnen maximaal zestig kilometer rijden, dan moeten ze opnieuw worden opgeladen”, vertelt bewoner Rainer Sommer, vroeger chemicus, nu eigenaar van een ecologisch adviesbureau. “Voor boodschappen doen is dat voldoende. Voor langere afstanden delen we een paar gewone auto's. Sommige bewoners hebben ook nog een eigen auto, onder wie ikzelf. Om langs klanten te gaan heb je nu eenmaal een representatieve wagen nodig.”

Tweederde van de volwassenen werkt ook in Lebensgarten. De meeste van hen verzorgen workshops of therapieën, waaronder conflictbeheersing, aromatherapie, muziektherapie, ergotherapie, Zen-meditatie en Tai Chi. Een paar kunstenaars huren atelierruimte. Anderen verdienen geld met het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimtes, het koken voor gasten en bewoners, de boekhouding, of de verkoop van ecologische bouwmaterialen en biologisch voedsel. Om aan voldoende leslokalen en gastenverblijven te komen hebben de bewoners op krediet de vervallen fabriekshallen laten verbouwen tot vrolijke, lichte ruimtes, met grenen kozijnen, kurken vloeren en natuurlijke verf op lijnoliebasis.

Lebensgarten presenteert zich als voorbeeld van een zogeheten Eco-village. Hier huist ook het Europese secretariaat van het Global Eco-village Netwerk (GEN), een in 1995 opgerichte beweging waarbij wereldwijd inmiddels zo'n tweehonderd Eco-villages en Eco-villages in oprichting zijn aangesloten. Een Eco-village kan een grote of kleine wijk zijn, op het platteland of in de stad. Eco-villages onderscheiden zich van andere wijken doordat ze op integrale wijze drie doelen nastreven: ecologische duurzaamheid, lokale productie (van bijvoorbeeld voedsel, energie, diensten of water) en een niet-stressvolle manier van leven.

De groei van het Eco-village-Netwerk is voor een belangrijk deel te danken aan het architectenechtpaar Margrit en Declan Kennedy. In Lebensgarten hebben ze hun eigen huis gebouwd. Met composttoilet, met vijvers waarin waterplanten het waswater en het regenwater zuiveren, met zonnecollectoren, en met zonnecellen voor de productie van elektriciteit.

“Onder ecologisch duurzaam verstaan we dat een wijk ten minste zoveel energie, water, materialen, diensten en voedsel produceert als hij consumeert”, vertelt Declan Kennedy op de Universiteit van Amsterdam, waar hij een maand geleden op bezoek was voor het congres 'Utopian Communities'. “Met onze woning bijvoorbeeld wil ik met goede isolatie, maximaal gebruik van passieve zonne-energie, zonnecollectoren en zonnecellen meer energie produceren dan ik nodig heb. Met de zonnecollectoren op het dak van het Zen-meditatiegebouw produceren we elektriciteit voor onze auto's. Wat we in de zomer te veel opwekken, gaat naar het elektriciteitsnet.”

Rondom het huis van de Kennedy's groeien tussen de wilde struiken en bloemen worteltjes, kolen, sla, bonen, kruisbessen, aardbeien, appels, peren en medicinale kruiden. Het halen van fruit en groenten uit eigen wijk bespaart enorm veel transport en energie, betoogt de architect gedreven. Daarnaast kan eigen teelt veel voldoening geven, bijvoorbeeld aan werkloze jongeren. “Er zijn zo veel mogelijkheden om rond huizen voedsel te produceren. Ook in de stad. Van veel vijverplanten kun je het blad eten. En de wortels van sommige biezen smaken precies als artisjokken. In serres kun je tomaten, kruiden en passievruchten kweken.”

Max Lindegger, initiatiefnemer van de Eco-village Crystal Waters in Australië, ervoer in diverse steden dat mensen zelfs het dak gebruikten: “Strikt genomen hoef je bij bebouwing helemaal geen groene ruimte te verliezen. In Melbourne fokt men op de daken konijnen en houdt men bijen. In Moskou zetten ze het dak vol met oude kratten, om daar groenten en fruit in te telen. Van een schuin dak kun je de dakpannen vervangen door glas, waaronder je groenten zet. En zijmuren kun je laten begroeien met klimplanten. Je krijgt daardoor meer nuttige insecten in de wijk, en extra zuurstof. Bovendien worden de muren beschermd tegen aantasting en verval.”

Ecologisch duurzaam betekent ook zoveel mogelijk werkgelegenheid of bedrijfsruimtes in de wijk zelf. Behalve het autoverkeer wordt zo ook de stress teruggedrongen. Declan Kennedy: “Er gaat vaak zoveel energie zitten in het reizen van en naar het werk. Denk bijvoorbeeld eens aan alleenstaande, werkende moeders. Als ze van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat weg zijn, kunnen ze hun kind niet zomaar even bij de buurvrouw brengen. Hebben ze bedrijfsruimte bij huis, dan is dat veel gemakkelijker.”

Elk Eco-village heeft zijn eigen kenmerken. In The Farm in de VS leven veel mensen van het milieukundig onderzoek doen voor bedrijven en overheden. In Crystal Waters in Australië is men gespecialiseerd in houtbewerking en architectuur en landschapsinrichting. Lebensgarten geeft veel workshops op het terrein van conflictbeheersing.

De specialisaties hebben vaak een verleden. In Lebensgarten zijn er de eerste jaren nogal wat conflicten geweest, waardoor een aantal bewoners ging zoeken naar methoden voor conflicthantering. Hiervan leerden ze zoveel dat ze inmiddels niet alleen workshops verzorgen voor 'leken', maar ook de bevoegdheid hebben gekregen docenten conflictbeheersing op te leiden, en een school te stichten. Kennedy weigert conflicten als vooral tijdrovend te zien: “Een Eco-village oefent zich elke dag in het scheppen van vrede.”

Het opzetten van Eco-villages is één manier om de milieuvervuiling terug te dringen, 'duurzaam bouwen' is een andere manier. In dezelfde tijd dat Lebensgarten werd opgericht, organiseerden zich meer bewoners om invloed te krijgen op de bouw. In Nederland verenigden veel bewonersgroepen zich in zogeheten Centraal Wonen Projecten waarvan er in 1991 vijftig waren. De initiatiefnemers vochten vaak niet alleen voor een gemeenschappelijke tuin en gemeenschappelijke ruimtes, maar ook voor een milieuvriendelijker bouw dan gangbaar.

Los van die ontwikkeling erkenden de meeste overheden eind jaren tachtig ook wel dat wonen een van de meest vervuilende activiteiten in onze samenleving is. Op verschillende plaatsen nam men zich voor om de enorme consumptie van drinkwater, bouwmateriaal en vooral energie drastisch te verminderen. In Nederland werd in 1991 met zes miljoen gulden subsidie de wijk Ecolonia in Delft gebouwd. Later trok de Nederlandse overheid 12,5 miljoen gulden uit voor het programma Voorbeeldprojecten Duurzaam en Energiezuinig Bouwen. Inmiddels is tachtig procent van de 33 uitgekozen voorbeeldwijken uit dit programma opgeleverd, en hebben de meeste gemeenten een zogeheten DuBo-beleid.

In elke DuBo-wijk worden andere accenten gelegd, maar ruwweg komt het erop neer dat de huizen extra goed zijn geïsoleerd, dat de huiskamers maximaal zonlicht binnenkrijgen en dat de daken zonnecollectoren hebben voor de verwarming van water. Sommige daken hebben ook foto-voltaïsche zonnecellen voor de productie van elektriciteit; een enkele wijk haalt energie uit plantaardig afval.

Verder is bij de bouw zo weinig mogelijk tropisch hardhout gebruikt en is bijvoorbeeld in het beton betonpuingranulaat verwerkt in plaats van het milieu-onvriendelijker grint. De woningen hebben een waterbesparende douchekop, een toiletreservoir met spoelonderbreking en waterbesparende kranen. In bijna alle voorbeeldwijken wordt het regenwater niet meer naar het riool afgevoerd, maar gebruikt als spoel- of waswater.

In 1994 verzocht de Europese Unie Margrit en Declan Kennedy na te gaan wat in de EU de ervaringen zijn met nieuwe, duurzaam gebouwde woonwijken. Het echtpaar schakelde een aantal collega's in en samen vonden ze zo'n zeventig wijken. Daarvan hebben ze er veertien uitgekozen om te evalueren, waaronder Ecolonia in Delft. Bij alle veertien kwam het initiatief niet, zoals bij Lebensgarten en Centraal Wonen projecten, van bewoners, maar van gemeenten of overheden die wilden experimenteren met duurzame bouw. De onderzoekers kozen hiervoor, omdat ze voor een snelle en grootschalige invoering van ecologisch wonen betrokkenheid van overheidsinstanties noodzakelijk achtten.

Onlangs is hun boek Designing Ecological Settlements uitgekomen. Naast het op een rijtje zetten van technische mogelijkheden om energie, water en bouwmateriaal te sparen, trekken de auteurs ook hun conclusies over wat op dit moment wordt gerealiseerd. In geen van de geëvalueerde duurzaam-bouwenprojecten, zo merkten ze, wordt gestreefd naar een integrale benadering waarbij zowel het milieu als de psychische en fysieke gezondheid van mensen wordt behartigd. Zoals was te verwachten, hanteerden de auteurs vele criteria zoals sociale diversiteit, betrokkenheid van bewoners bij elkaar en bij de wijk, gezond binnenklimaat, bedrijfsruimten, autovrije recreatieplaatsen, milieuvriendelijke bouwmaterialen, wilde natuur, eetbare planten enz.

De Kennedy's staan in hun visie niet alleen. Ook een aantal Nederlandse architecten vindt dat de huidige duurzaam-bouwenprojecten niet ver genoeg gaan. “DuBo is een stap in de goede richting maar het blijft een materialenverhaal”, analyseert Renz Pijnenborgh, ecologisch geïnspireerd architect van het eerste uur en voormalig bestuurslid van de Vereniging Integrale Biologische Architectuur. “Het probleem van de Vinex-locaties [groeilocaties volgens de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra] is dat het weer slaapsteden worden. Men blijft maar de fout maken om wonen, werken en recreatie te scheiden waardoor meer auto's nodig zijn, en waardoor je allerlei sociale problemen binnenhaalt zoals jeugd die niets heeft te doen.”

De architect Francine Houben, die het progressieve gebouw van de universiteitsbiblitheek in Delft ontwierp, zegt in een vraaggesprek in het blad Milieudefensie van deze maand: “Er is geen gemeente zonder duurzaam-bouwenproject. Maar de ideeën daarover vind ik heel banaal. Je moet voldoen aan een bepaalde energienorm, je mag geen tropisch hardhout gebruiken en er moet een zonnecollector op het dak. Intussen worden nieuwbouwwoningen verplicht opgeleverd met binnenwanden. Als mensen hun ruimte anders willen invullen kan dat vaak niet. Moet je bij de oplevering van een nieuwbouwwijk eens kijken naar de volle containers die er staan. De keukens worden er sowieso allemaal uitgesloopt.”

Voor gezonder en milieuvriendelijker wonen, zo vinden verschillende architecten, is het noodzakelijk bewoners te betrekken bij de bouw en liefst ook bij de inrichting van de wijk. Nu krijgen bewoners vaak niet eens een gebruiksaanwijzing voor hun huis. “Projectontwikkelaars en woningbouwverenigingen bouwen voor een anonieme markt”, verklaart Pijnenborgh. “Mensen hebben maar te kiezen uit wat hun wordt aangeboden. En de bewoners zelf zijn ook te veel consument geworden. Dat merken we wanneer we bewonersgroepen ondersteunen. De eerste bijeenkomst schrikken ze altijd als wij vragen 'hoe duur willen jullie dat dit of dat wordt?' of 'hoe moet dit of dat er uitzien?' Maar als ze eenmaal merken dat ze echt iets over de bouw te zeggen hebben, komt er enorm veel energie los. Volgens mij is er een geweldige markt voor bouwen met bewonersgroepen. Het verandert ook wel. Ik merk dat allerlei partijen er steeds meer voor open staan.”

In Culemborg gaat eind dit jaar de eerste paal in de grond van de wijk EVA-Lanxmeer. Samen met vijftig toekomstige bewoners, een bont gezelschap van deskundigen (onder wie de Kennedy's), de gemeente, de provincie Gelderland en het ministerie van VROM, wordt de wijk zoveel mogelijk volgens de filosofie van Eco-villages ingericht. Er komen bedrijfsruimtes en tweehonderd woningen waarvan een deel flats. De wijk produceert energie met windmolens, zonnecellen en een biogasinstallatie waarin energie wordt gewonnen uit rioolwater en groente- en tuinafval. Het huishoudelijk afvalwater wordt gezuiverd in rietbedden die meteen aantrekkelijke recreatieplaatsen zijn. Er komt een biologische boerderij, er komen 'eetbare landschappen' met miniplantages, jungletuinen en moestuinen, en er komen besloten privé-tuinen onder de schaduw van druiven. Treinen en bussen zijn op loopafstand en parkeren kan alleen aan de rand van de wijk. Om het ecologisch concept uit te dragen, zal veel aandacht gaan naar tentoonstellingen en rondleidingen. “Nu ligt de grote macht bij projectontwikkelaars en makelaars”, verklaart initiatiefnemer en architect Marleen Kaptein. “Zij zeggen: 'mensen willen graag twee onder een kap en daarom bouwen we dat.” Ik wil mensen laten zien dat er ook alternatieven zijn voor twee onder een kap.”