Nederland wordt een renteniersnatie

Nederlandse bedrijven investeren een steeds groter deel van hun rap stijgende winsten in het buitenland. Nederlandse beleggers doen hetzelfde met hun almaar groeiende vermogens.

DEN HAAG, 3 AUG. Het is een paradox van paars: onder een sociaal-democratisch minister-president is Nederland een renteniersnatie geworden. Naast de koopman en de dominee heeft Nederland een derde gezicht gekregen: dat van de couponknipper. De financiële vermogens van Nederlandse bedrijven en beleggers hebben zulke astronomische vormen aangenomen dat het buitenland stilletjes een heus profit center voor Nederland is geworden.

In 1993 betaalden Nederlandse bedrijven en andere debiteuren voor het laatst per saldo rente en dividenden aan buitenlandse bedrijven en financiers. Dat was 600 miljoen gulden. Sindsdien zijn de rollen omgedraaid en groeit het rendement hard, heel hard. In 1994 was het 1,7 miljard. In 1996 5,2 miljard. Vorig jaar ontving Nederland per saldo een recordbedrag van bijna 8,2 miljard gulden aan dividenden op aandelen in buitenlandse bedrijven en rente op uitgeleend geld.

De cijfers komen uit het nationale huishoudboekje, waarvan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onlangs de eerste uitkomsten publiceerde. Politiek Den Haag concentreerde zich bij die gelegenheid op de bovenwaartse bijstelling van de economische groeicijfers. Het CBS-materiaal geeft echter ook een kijkje achter de schermen van de rentenierseconomie buiten het Binnenhof. Geld met geld verdienen? Het paarse kabinet wil elementen daarvan belasten door te snoeien in aftrekposten en de invoering van een fictieve heffing op vermogen. Minister-president Kok praat over geld met geld verdienen als over een aberratie van het economisch systeem.

De renteniersnatie heeft een slechte naam. Vroeger en nu. De term is verbonden met de achttiende eeuw, toen Nederland na de Gouden Eeuw in verval raakte en de kooplieden hun vergaarde kapitaal vooral oppotten in wat later banken zouden worden. Feit is dat Nederland nu ondanks Koks weerzin zelf op grote schaal met zijn gespaarde kapitaal geld verdient. En dat het grootkapitaal dankzij het schrappen van regels en de mondialisering van de economie mobieler is dan ooit. Met alle gevolgen van dien voor de bewoners van het land van het poldermodel.

Uit het CBS-materiaal blijkt dat de binnenlandse investeringen van ondernemingen steeds verder achterblijven bij de ingehouden winsten, ofwel de winsten die niet aan de aandeelhouders worden uitgekeerd. Nederlandse bedrijven investeren meer, maar de winstgroei is zo hoog dat zij ook nog eens voor recordbedragen in het buitenland kunnen spenderen aan overnames van andere ondernemingen. In de periode 1987-1993 werd 93 procent van de opgepotte winst gebruikt voor investeringen in Nederland in machines en gebouwen, na 1994 daalt dat percentage naar 73 procent.

“Als Nederlandse bedrijven minder investeren in - laat ik zeggen - Nederlandse werkgelegenheid, dan zou bij de werknemers de bereidheid om de looneisen te matigen wel eens kunnen afnemen”, oppert econoom S. Keuning van het CBS.

Pagina 9: De klad zit weer in investeringen

Het poldermodel berust op een stilzwijgende afspraak tussen de overheid, de ondernemingen en de werknemers. De overheid saneert de financiën en verlaagt de lasten, de vakbonden matigen de lonen en de bedrijven investeren in ruil daarvoor in werkgelegenheid. Halverwege jaren tachtig werden in het kabinet-Lubbers de ministers Ruding en Van Ardenne er al op aangesproken dat ondanks de zwaarbevochten dalingen van begrotingstekort en lonen de investeringen maar nauwelijks toenamen.

Toen de economie eind jaren tachtig weer aantrok namen de investeringen pas weer toe, maar inmiddels lijkt de klad daar weer in gekomen. Ondernemingen steken een steeds groter deel van de winst in bijvoorbeeld de inkoop van eigen aandelen, maar ook in de aandelen van andere ondernemingen. Dat laatste is een bevestiging van de wereldwijde fusie- en overnamegolf, waarin Nederlandse bedrijven al enige jaren een voortrekkersrol hebben.

Niet alleen het ondernemersgeld gaat in toenemende mate de grens over, het beleggersgeld is zo mogelijk nog gretiger. De pensioenfondsen, die ruim 700 miljard gulden beleggen, een bedrag dat vergelijkbaar is met het binnenlands product van Nederland, hebben inmiddels meer dan 35 procent van hun geld buiten Nederland geïnvesteerd. En dat levert geld op, voor later, als de baby boomers na 2010 met pensioen gaan. De vergrijzing gaat gepaard met stijgende kosten (medische voorzieningen), wanneer een groeiend grijs legioen van zijn oude dag geniet. Maar wie gaat betalen? De vergrijzing betekent een relatieve daling van het aantal werkers in de economie.

CBS-econoom Keunings denkt dat deze beleggingen in het buitenland de verwachte pijn van de vergrijzing kunnen verzachten. “De vergrijzingsproblematiek kan macro-economisch bezien wel eens meevallen”, zegt Keuning: “Zolang Nederlands kapitaal wordt geïnvesteerd in landen met vele werkenden jongeren en die investeringen voldoende renderen, hoef je niet te investeren in Nederland, waar die jongeren er steeds minder zijn.” Binnen Europa behoort Nederland tot de weinige landen met een goed pensioenspaarsysteem.

Hoewel de pijn macro-economisch dan mag meevallen, betekent dit rentenieren niet dat de pijn in Nederland kleiner wordt. “Je krijgt een verdelingsvraagstuk”, denkt Keuning: “Investeringen binnen de landsgrenzen komen in principe ten goede aan een brede groep mensen, voor wie er meer werkgelegenehid komt. De baten van de buitenlandse investeringen komen alleen ten goede aan die groep Nederlanders die een goede pensioenregeling heeft.”