Krapte in dierentuin door succes van fokprogramma's

Fokprogramma's in Nederlandse dierentuinen zijn succesvol. Daardoor dreigt nu ruimtegebrek. Dus moeten leeuwinnen aan de pil, en wordt soms een dier afgemaakt.

ROTTERDAM, 3 AUG. “Vandaag geboren” meldt een kartonnen bordje. In een glazen aquarium zijn tussen het zaagsel een stuk of zes kleine gevlekte schildpadjes te zien. “Dit komt nooit in het nieuws”, vertelt Constance Alderlieste, voorlichter van Diergaarde Blijdorp trots. “Maar eigenlijk is het heel bijzonder. Sporenschildpadden zijn ontzettend zeldzaam en planten zich in gevangenschap maar moeilijk voort. Maar ons fokprogramma is een groot succes.”

Het pantserneushoortje Kai, dat in februari in Blijdorp werd geboren, was wel nieuws. Hetzelfde gold voor twee olifantjes, die kort daarna ter wereld kwamen. Vorige week meldde Burgers Dierenpark in Arnhem dat er een girafje en een jonge chimpansee waren geboren. In het Noorderdierenpark zag ook een kleine giraf het levenslicht.

Fotogenieke dieren halen het nieuws. Zeldzame pasgeboren Zwartkop-pitta's, Dwerg-oeistiti's of Balispreeuwen krijgen geen aandacht. Bart Hiddinga, bioloog van Burgers Zoo in Arnhem, wil niet van een geboortegolf spreken: “Het is het seizoen. In de periode maart-september worden altijd veel jonge dieren geboren.” Dat neemt niet weg dat de fokprogramma's van de Nederlandse dierentuinen de laatste jaren uiterst succesvol zijn geweest: “Een paar jaar gelden was de geboorte van een gorillajong nog een gebeurtenis. Nu haalt het nog maar nauwelijks de kranten.”

Het succesverhaal van de gecoördineerde fokprogramma's begint in de jaren tachtig. Dierentuinen kwamen toen tot de conclusie dat ze er niet alleen ter vermaak waren, maar ook een belangrijke functie hadden als natuurbeschermers. Het inkopen van beschermde diersoorten die in het wild waren geboren paste daar niet bij. Dierentuinen vonden dat ze zelfvoorzienend moesten zijn en waar mogelijk een bijdrage moesten leveren aan het behoud van soorten die in het wild met uitsterven werden bedreigd.

Om fokprogramma's goed te laten verlopen gingen dierentuinen samenwerkingsverbanden met elkaar aan, die inmiddels zijn uitgegroeid tot een fijnmazig, wereldwijd netwerk. Alleen al in Europa bestaan afzonderlijke fokprogramma's voor zo'n tweehonderd bedreigde diersoorten. Ieder programma heeft een eigen coördinator, die een stamboek bijhoudt en bepaalt welke dieren geschikt zijn om met elkaar te paren.

Dit alles garandeert echter geen succes bij het fokken. Sommige diersoorten planten zich in gevangenschap nauwelijks voort. De laatste jaren wordt er echter uitgebreid onderzoek gedaan. Hierdoor kunnen de natuurlijke leefomstandigheden van de dieren zo goed mogelijk worden nagebootst. “In Blijdorp zijn er nu vijftien jonge flamingo's”, vertelt Koen Brouwer, directeur van de stichting Nationaal Onderzoek Dierentuinen in Amsterdam. “Dankzij de inspanningen van een uitgebreid team van biologen en vrijwilligers. Er wordt hard aan gewerkt: iedere dag staat er een groep vrijwilligers het gedrag van de vogels te bestuderen.”

Het succes heeft een keerzijde. Sommige soorten planten zich zo goed voort dat er een gebrek aan ruimte dreigt te ontstaan. “In Blijdorp waren we zo succesvol met het kweken van Sporenschildpadden dat we ons afvroegen of we het programma niet moesten stopzetten”, zegt voorlichter Alderlieste. “Gelukkig konden we een overeenkomst sluiten met Senegal, het oorspronkelijke leefgebied waar nog nauwelijks schildpadden over zijn. Dieren uit Blijdorp worden daar nu in het wild uitgezet.”

Een andere oplossing is geboortebeperking. In alle Nederlandse dierentuinen zijn dieren aan de pil. “Dierentuinen voeren een zeer uitgekiend collectiebeheer”, zegt Brouwer. “Voordat ze beginnen met fokken, wordt eerst geïnventariseerd welke dierentuinen behoefte hebben aan jonge aanwas.” Toch worden nog jonge dieren geboren waarvoor geen plekje in een dierentuin te vinden is. Het laten inslapen van het dier is dan het enige alternatief. Volgens Brouwer komt dit maar in enkele gevallen per jaar in Nederlandse dierentuinen voor. “Het gebeurt niet vaak. We wachten jaren voordat we zo'n stap zetten. Maar uiteindelijk kunnen we een dier niet in een donker hokje laten zitten.” Antilopen en herten werden zodoende afgemaakt.

Bioloog Hiddinga van Burgers Zoo vindt dat het laten inslapen van dieren bespreekbaar zou moeten zijn. Door de goede verzorging worden dieren in een dierentuin ouder dan in het wild. Zij nemen de plek in van jonge dieren, die gebruikt kunnen worden in de fokprogramma's. Volgens Hiddinga moeten de programma's zo intensief mogelijk worden voortgezet, om de genetische diversiteit - en dus het behoud - van zeldzame diersoorten te garanderen. Hiddinga:“Het gaat erom welk belang je vooropstelt: dat van het individuele dier, of dat van de hele soort. De publieke opinie is nog lang niet zover. Maar ik vind dat deze discussie wel gevoerd moet worden.”