Koopdrang

Nergens is de welvaart zo zichtbaar als bij reizen en kopen. Terwijl vorige generaties zelden op vakantie gingen, is één vakantie per jaar nu aan de zielige kant. De wintersportvakantie is er bijgekomen, de voorjaarsvakantie, de hepi-vakantie (de dagen tussen Hemelvaart en pinksteren). En iedereen moet steeds meer weg, alsof het thuis niet meer uit te houden is. Lekker rondhangen in je pyjama raakt uitgestorven, iets voor mensen zonder geld en zonder daadkracht.

Zijn die vakanties eigenlijk leuk en waarom moeten mensen steeds meer weg? Waar moet aan ontsnapt worden, aan werk of gezin of aan beide? Maar het gezin gaat vaak mee en het werk blijft liggen of stapelt zich op als je weg bent. Een belangrijke oorzaak van dat reizen is natuurlijk de welvaartsstijging. Wat eerst alleen de welgestelden zich konden permitteren, ligt nu binnen veler bereik. 'Nu wij ook' blijft een belangrijk motief in het menselijk verkeer, of het nu de Bahama's zijn, de wintersport of het vijfgangendiner met Kerstmis. Wat meespeelt, misschien weer voor anderen, is de illusie van een ander bestaan, waarin het rustiger is, overzichtelijker: alle spullen in een koffer, en niet steeds al die keuzes, verzoeken en beslissingen.

Het kopen voorziet, denk ik, voor een deel in diezelfde behoefte van de droom van nieuw en anders, van een nieuwe inrichting, een nieuw bestaan. De meubelboulevards op tweede paasdag wekken de indruk dat alle Nederlanders massaal hun huizen voorzien van een nieuw bankstel. Wat beweegt mensen tot deze ingrijpende stap: het verlangen naar schoon schip, een nieuwe fase, vertoon van welstand, of vooral mee met de tijd en de buren ('keeping up with the Jones')?

De verleiding van nieuwe kleren is voor weer anderen onweerstaanbaar. Wie er gevoelig voor is kent het genot van iets dat nieuw is en je mooi staat, waarvan de kleur en de snit bevallen en de stof soepel en zacht is, alsof je een andere huid hebt, een ander lichaam, een andere verschijning. Ook hier maakt de welvaart het mogelijk om iets te bemachtigen wat vroeger slechts begeerd kon worden. De uitverkoop is een iets ander verhaal. Die wekt een bepaald soort onrust en gretigheid, van jacht op koopjes die je niet kunt laten liggen, maar eigenlijk vaak ook niet nodig hebt. Het gevoel van winst - bemachtigd voor de helft van de prijs! - vraagt dan ook om een bepaald soort creatief boekhouden.

Maar dat kopen heeft nog een andere kant, die bijna terloops vermeld wordt in een boek over carrièrevrouwen en de prijs die ze voor hun stressvolle bestaan moeten betalen, zoals ontkenning van delen van zichzelf, uitputting, depressie, cynisme en nog andere erge dingen. En destructieve neigingen als te veel eten, te veel drinken en te veel uitgeven (McKenna. Als werk niet meer werkt, 1998). Te weinig eten lijkt mij eerlijk gezegd een ernstiger probleem: de magerzucht, het calorieën tellen, het montignaccen, het zich ontzeggen van veel wat lekker is. Maar mensen kunnen lijden onder de drang tot eten, tot zich vullen, tot troost door lekker. Vrouwen en drank krijgt de laatste tijd veel aandacht. En dan niet alleen het eenzaam sherrydrinken in groene tuinsteden als de mannen naar kantoor zijn, maar het drinken in het openbare leven. Beschonken vrouwen wekken nog steeds meer weerzin dan dronken mannen, hoe ellendig die zich ook kunnen gedragen, maar ook hier zal het wennen aan het verschijnsel de acceptatie wel bevorderen. Zo is het tenslotte ook werkende, rijdende en rokende vrouwen vergaan.

Maar dat kopen. Er is het premenstrueel kopen, de fysieke druk en drang tot bedrijvigheid voorafgaand aan de menstruatie. Sommige vrouwen gaan dan als een wilde schoonmaken en opruimen, maar anderen krijgen de onweerstaanbare drang tot kopen. De drang beperkt zich echter niet tot deze periodieke onrust. Hij kent ook andere innerlijke drijfveren zoals de behoefte aan troost, die ook doet eten, roken en drinken. En het gevoel van vermogen: ik heb geld, en kan het begeerde bemachtigen. Eén handeling, en de buit is binnen. Dan volgt de trots. En soms de weerzin, over de overdaad, het teveel, en de drang die niet beheerst kon worden.

    • Christien Brinkgreve