In de rij

“Ik wed dat de middelste deur nu het eerst open gaat”, zei ik tegen mezelf. “En ik denk dat nummer twee van links het eerst vrij komt”, antwoordde ikzelf. “Welnee”, zei ik, “daar is net iemand ingegaan, die moet nog beginnen!” “Jawel”, zei ikzelf. “maar dat was een jong ding, 't leek me een vluggerd.” “We zullen zien”, zei ik en direct daarop ging de middelste deur open en ik had de weddenschap gewonnen.

We schoven langzaam op. Er waren nu nog acht vrouwen voor me en achter mij groeide de rij in hetzelfde tempo aan. Het was de gebruikelijke belangstelling voor de damestoiletten in de pauze van de toneelvoorstelling. Ik voerde een gesprek met mezelf om de tijd te doden.

“Je had ook niet naar boven moeten gaan”, verweet ik mezelf. “Tja, maar ik dacht, iedereen gaat vast beneden, dan hoeven ze de trap niet op en dus is het hier boven leeg.” “Dom gedacht”, was het antwoord, “als iedereen zo denkt gaat iedereen naar boven en is het beneden leeg.” “Ik wil daar geen ruzie over maken”, zei ik tegen mezelf.

Er was weer een deur opengegaan. Nog vijf wachtenden voor me. Plotseling groot rumoer achter me. Er bleek een man te zijn binnen gekomen. Had zich vergist, begreep het pictogram op de deur niet of was gewoon een voyeur. Maar daar keek hij te verschrikt voor bij het zien van de rij popelende vrouwen. Hij maakte rechtsomkeert, opende de verkeerde deur, dat was de bezemkast; hij kreeg een luiwagen in z'n gezicht, stond verwezen te kijken en verdween ten slotte door de goede deur. Even ging er iets van een lach langs de rij, maar direct daarna lette iedereen alleen nog maar op haar beurt. Er waren nog twee wachtenden voor mij.

Het laatste wachten duurt altijd het langst. Daar heb ik geen verklaring voor. 't Zal wel iets psychologisch zijn. Als je eindelijk aan de beurt bent geeft dat een enorme voldoening. Alsof je een overwinning hebt behaald. Je zou er zo lang mogelijk van willen genieten, maar helaas, een kleine boodschap is snel gedaan, je staat zo weer buiten.

Aan mijn echtgenoot, die zoals altijd gelaten op me staat te wachten, vraag ik of er bij hem ooit een rij staat. “Nee, nooit”, zegt hij.

“Hoe komt dat, hebben jullie zoveel meer toiletten? Bij ons waren er vijf.”

“Ja, bij ons waren er wel wat meer”, zegt hij, “een stuk of acht, maar wij hebben er geen deur voor, zie je, en dat schiet lekker op.”

Ik moet er een beetje om lachen. “Ook hier weer verschil”, zegt ik.

“Kind”, zegt hij, “als dat er niet was, wat zou 't leven saai zijn.”

“Laten we gauw een drankje nemen, voordat de pauze voorbij is”, stel ik voor.

“Mij best”, zegt hij, maar bedenk wel, als je te veel drinkt sta je zo weer in de rij.”