Het wilde verrijken

Aan de kade van het eiland was een groot duur jacht komen liggen, bleek 's avonds. Vanaf de terrassen van de taverna's keek men er op uit. Op het achterdek brandde schijnwerperachtige verlichting en al die schijnwerpers waren gericht op de dinertafel waar het varensgezelschap zat te eten. In een hoekje apart de kleine kinderen die ook bediend werden door mensen in witte oberkostuums, die vanaf zilveren schalen keurig tussen twee lepels de côte de porc op de kinderbordjes vlijden. De volwassenen zaten zwijgend zeer kleine welopgevoede hapjes te nemen, scherp uitgelicht als om ons te laten zien hoe rijke mensen dat doen, eten.

Toen ze klaar waren begonnen verscheidenen van hen met draagbare telefoontjes te bellen, sommigen deden dat op de loopplank of net voor het schip, anderen hingen erbij over de reling. Niemand deed het ergens waar je hem of haar niet vanaf de wal kon zien.

Waarom wekten die mensen lichte ergernis en afschuw? Niet omdat ze rijk waren, geloof ik, maar omdat ze zich rijk gedroegen, dat wil zeggen, verwend, opzichtig. En vooral omdat alles in hun gedrag uitstraalde dat zij anders waren dan wij, gewone mensen, omdat ze zo'n show maakten van hun rijkdom door daar als op een toneel weelderig te gaan zitten doen.

Een poosje later in Amsterdam zag ik een man bij een pedicure zitten. Zij was doende met zijn voeten, hij zat met zijn draagbare telefoontje te bellen. Keizer Nero en zijn slavin. Het wekte dezelfde weerzin.

Op de televisie vertoonde het programma Netwerk een BBC-reportage over een Chinese stad waar de eerste gevolgen van de nieuwe Chinese economische verhoudingen te zien zijn. Fabrieken zijn gesloten, mensen die dachten dat werkloosheid onder het socialisme niet bestond, merkten nu tot hun schrik en hun ellende dat er geen werk meer voor hen was maar ook niets anders. Anderen daarentegen profiteren van de nieuwe mogelijkheden. We zagen een man die, begonnen met een eenvoudig restaurantje, nu baas is van een snel groeiende keten. Hij was razendsnel rijk geworden en reed in een dure auto waar hij zichtbaar van genoot. Daar is niets tegen en toen hij ook nog verklaarde dat hij een rode ondernemer was die niemand uitbuitte leek alles in orde. Waarom zou iemand geen succes mogen hebben met moderne 'hot pot'-restaurants. Toch. Zijn vrouw toonde hun appartement, waar ze ongeveer twee nachten per jaar sliepen. Bij het meubilair hoorde ook een verwaarloosde dochter die zonder omwegen verklaarde dat haar ouders niets om haar gaven. Vader en moeder lieten samen het restaurant zien waar ze begonnen waren en dat nu van iemand anders was. De minachting voor deze zaak droop van hun gezichten. Ze durfden nauwelijks iets aan te raken, lachten om de armoedige tafels, bespraken met afschuw de toestand van vroeger.

Bij de rondleiding over een terrein waar een nieuwe megazaak van de Rode Ondernemer zou moeten verrijzen ging het echt mis. Daar stond nu nog een fabriek of iets dergelijks en men weigerde hem de toegang, er werden geen onbevoegden toegelaten. De manier waarop de socialistisch-kapitalistische zakenman zich toen gedroeg. Hij schold en schreeuwde, eiste excuses van de portier die alleen maar zijn werk had gedaan, riep dat dit allemaal van hem was of werd - op alle manieren probeerde hij duidelijk te maken wie hij was. En wie hij was, was iemand met veel geld. Of men daar maar voor wilde buigen.

Worden mensen van rijkdom anders? Ik vrees het wel. Wie rijker is dan zijn omgeving voelt zich gemakkelijk ook superieur aan die omgeving. Alsof rijkdom een verdienste is. Wie heeft nooit eens, als zij om een of andere reden in een veel te duur hotel was, wat extra de rug gerecht, geprobeerd te kijken of dit niet meer was dan een uiterst alledaagse omgeving en zich verheugd in de veronderstelling dat iedereen zou denken: vast een rijke vrouw. Het Kees de jongen-gevoel.

Ooit was ik in Polen, vlak na de val van het communisme. In een café zaten Nederlanders in een groepje te praten. Of ze hun zloty's voor vandaag al op hadden. Want ze hadden zich voorgenomen elke dag een bepaalde hoeveelheid uit te geven, maar dat was zó moeilijk, al die rommel hier was zó bespottelijk goedkoop. Niets was daar wat hun betreft van waarde. Ook dat was stuitend, dat heerlijk superieure Westerse gevoel.

Nu was het ook moeilijk om je niet beter geslaagd te voelen dan die mensen op armoedige, hompelige laarzen die bij open vrachtwagens grote rare stukken bloederig vlees stonden te kopen, om niet toch, een beetje, te denken dat het eigen verdienste was dat je zo niet hoefde te leven. Terwijl het natuurlijk niet meer is dan dom geluk om hier geboren te zijn en niet daar. Zelden heb ik ergens mensen ontmoet die cultureler geïnteresseerd waren dan toen in Warschau, mensen voor wie literatuur echt een andere wereld opende, een wereld waar hen alles aan gelegen was. Ze verdienden minder per maand dan ik per nacht in het hotel versliep, maar hun boekenkasten stonden vol Pléiade-delen, ze schreven en lazen de mooiste poëzie, ze waren gastvrij en realistisch, ze waren, zoals ze zelf ook zeiden, innerlijk vrij. En innerlijk rijk.

Veel geld hebben is blijkbaar heel moeilijk. Het verleidt gemakkelijk tot bot en patserig gedrag. De bootrijken, de telefonerende Nero, de Rode Ondernemer, de koopgrage Hollanders, ikzelf in mijn dure Warschause hotel, allemaal minachten we op een of andere manier de mensen om ons heen, om geen andere reden dan dat we meer geld in onze zak hebben dan zij. Op zulke momenten verliezen de rijken hun beschaving.

Hoe anders was dan de arme Chinese vrouw uit dezelfde stad waar de 'hot pot'- restaurants als paddestoelen uit de grond schoten. Ze was werkloos geworden en had nu, dankzij het pensioen van haar vader, nog twintig gulden per maand te besteden voor een huishouden van drie mensen. Toch liet ze haar dochtertje op balletles blijven, omdat ze haar toch iets wilde meegeven, en omdat ze tijdens die lessen even vergat hoe haar leven er nu voor stond. Ze kleedde zich mooi, ze verzorgde zichzelf en ze besteedde uren op de markt om de goedkoopste groenten te vinden. Ze deed alles, in haar werkelijk heel grote ellende, om haar waardigheid te behouden. Voor de rijke man was zijn waardigheid niet meer iets waar hij zorg voor hoefde te dragen, hij was gaan geloven dat die waardigheid op zijn bankrekening stond. Hij hoefde daar verder zelf niets meer voor te doen, integendeel zelfs, hij meende zich dankzij zijn onaantastbare financiële aanzien alles te kunnen permitteren.

Zo hoor je nu ook wel mensen zeggen dat kunst en literatuur niet meer interessant zijn, dat het gaat om andere dingen, om macht, geld, economisch succes. Ach arm. Straks zitten we met een land vol Rode Ondernemers of Ondernemers zonder meer. Niet dat balletles, een Pléiade-deel, of een mooi gedicht het enig zaligmakende is op de wereld. Het is minstens zo belangrijk om van je kinderen te houden, en enige welstand maakt het hele leven ook een stuk prettiger. Maar het wilde verrijken dat je nu in de voormalige communistische landen kunt zien, en dat hier in andere vorm ook helemaal salonfähig is geworden, is weerzinwekkend. De hemel behoede ons voor het patserdom dat iedereen minacht en alles mag van zichzelf wat anderen niet mogen omdat die anderen een minder imposante bankrekening hebben.