Experiment sociale dienst in de Bijlmer; Bemiddeling werklozen

DEN HAAG, 3 AUG. De sociale dienst van Amsterdam begint een experiment waarbij een op winst gerichte organisatie bijstandsgerechtigden aan banen helpt.

De winst is afhankelijk van de snelheid waarmee mensen aan een baan worden geholpen en hun afstand tot de arbeidsmarkt. De deelnemers aan het experiment, de sociale dienst, het arbeidsbureau en NV Werk en Maatwerk, twee organisaties die onder andere bemiddelen voor de invulling van Melkertbanen, willen vanaf 1 januari 1999 beginnen in de Bijlmer met 1.000 mensen met een bijstandsuitkering. Het arbeidsbureau van de regio Rijnmond overweegt een vergelijkbaar experiment op te zetten.

Volgens directeur P. Verheij van NV Werk moet in de Bijlmer “een soort winkel” komen te staan waar de bijstandsgerechtigden terecht kunnen voor bemiddeling bij een baan. Bij het experiment zal gewerkt worden met een vast budget dat gevoed wordt door geld uit verschillende 'potjes' die de gemeente en het rijk hebben om werklozen aan het werk te krijgen. In de uiteindelijke werkwijze wordt het budget van de nieuw op te richten bemiddelingsorganisatie bepaald door de som van de uitkeringen van Amsterdamse uitkeringsgerechtigden.

Daarbij is ook nog van belang hoe lang verwacht wordt dat de uitkering moet worden verstrekt als er geen sprake van bemiddeling zou zijn. Een langdurig werkloze is bijvoorbeeld moeilijker aan een baan te helpen en zal langer een uitkering krijgen dan een schoolverlater. De langdurig werkloze zal zo meer 'inbrengen' in het totale budget dan de schoolverlater.

Als de verwachting is dat de werkloze zonder bemiddeling nog vier jaar werkloos zal blijven, zal de uitkering over vier jaar naar de nieuwe organisatie gaan. De bemiddelingsorganisatie maakt dan winst als het een bijstandsgerechtigde eerder aan een baan helpt dan de vooraf ingeschatte periode van vier jaar.

Om de afstand tot de arbeidsmarkt te bepalen zal de op nieuw op te richten organisatie gebruik maken van de indeling die arbeidsbureaus hanteren. Daar bestaan vier categorieën lopend van makkelijk plaatsbaar tot zeer moeilijk plaatsbaar.

Volgens Verheij zal zeven procent van de winst naar de eigen organisatie gaan. Het is volgens hem daarbij mogelijk dat de werknemers van die bemiddelingsorganisatie naar prestatie worden beloond, afhankelijk van het aantal bijstandsgerechtigden die zij weten te plaatsen. De rest van de winst gaat voor de helft terug in de zakken van de belastingbetalers en de andere helft wordt gebruikt voor het stimuleren van werk.

Het experiment in Amsterdam is geënt op de werkwijze in de Amerikaanse staat Wisconsin. Weliswaar is het aantal bijstandsgerechtigden in Wisconsin drastisch gedaald, de situatie daar is een geheel andere dan de Nederlandse. Zo is daar de duur van een bijstandsuitkering beperkt tot twee jaar.