Alfred Schnittke (1934-1998); Polystilistisch commentator

ROTTERDAM, 3 AUG. De Russisch-Duitse componist Afred Schnittke, die op 64-jarige leeftijd in Hamburg is overleden, noemde ooit de poging om alle vormen van banaliteit en spot te vermijden een ziekte van de hedendaagse muziek. Zelf was hij er niet bang voor, met als gevolg dat veel van zijn muziek, met name die van de laatste jaren, regelmatig balanceert op de grens van de kitsch. “Als Webern een wals componeert, blijft er slechts een schaduw van over,” zei Schnittke. “Mahler daarentegen koesterde geen angst voor het triviale.”

Ook Schnittke schuwde triviale elementen in zijn werk niet. Schaamteloos verwerkte hij oude muzikale stijlen, van barok tot romantiek, in composities die met namen als 'Concerto grosso' of 'Dubbelconcert' vaak verwezen naar het verleden. Soms bleef het bij imitaties, maar regelmatig gebruikte Schnittke letterlijke citaten, zoals een fragment uit een onvoltooid jeugdwerk van Mahler, een pianokwartet, in Concerto grosso nr. 4/ Symfonie nr. 5, dat hij schreef ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Concertgebouworkest.

Alfred Schnittke werd in 1934 geboren in Engels aan de Wolga. Zijn Duitse vader was van joodse afkomst en emigreerde in 1926 naar Rusland, waar hij trouwde met een Wolgaduitse. Alfred kreeg zijn eerste muzieklessen in Wenen, waar zijn vader van 1946 tot 1948 werkte als Russische tolk. Tussen 1953 en 1961 studeerde hij vervolgens bij Nikolai Rakow aan het Conservatorium van Moskou, waar hij daarna vele jaren zelf lesgaf.

Schnittke behoorde tot de eerste naoorlogse Russische componistengeneratie die werd beïnvloed door moderne muziek uit het Westen, in zijn geval vooral door componisten als Stockhausen, Cage en Ligeti. Daardoor raakte hij in conflict met de overheid. In 1967 werd zijn muziek geweerd op een muziekweek voor de vijftigste verjaardag van de Revolutie. De componistenbond veroordeelde zijn dodecafone Tweede vioolconcert en het Eerste strijkkwartet omdat hij 'de nationale muziek negeerde ten gunste van twijfelachtige experimenten van de westerse avant-garde.' Schnittke's antwoord, dat zijn muziek in Duitsland juist werd gekarakteriseerd als 'Russisch', werkte alleen maar averechts.

Toch behoorde Schnittke niet tot de extreemste avantgardisten. Een Pravda-artikel uit 1965 rangschikte hem bij de componisten die 'met hun talentvolle en originele composities de luisteraar weten te boeien.' Uitvoeringen van Schnittke's werken waren desondanks een uitzondering. Om in zijn onderhoud te voorzien schreef hij daarom veel film- en theatermuziek, net als Sjostakovitsj, met wie hij zich verwant voelde. Een van de films waarvoor hij een prachtige score schreef was Kommisar van Aleksandr Askoldov, een film die vele jaren in de Sovjet-Unie verboden was.

Schnittke's concertmuziek was in de jaren zeventig bijna alleen buiten Moskou te horen. In 1974 ging in het afgelegen Gorki zijn Eerste symfonie in première, door een plaatselijk orkest onder leiding van de beroemde dirigent Gennadi Rozjdjestvenski, die zich later samen met violist Gidon Kremer ook in het Westen voor Schnittke inzette. In 1991 voerde Rozjdjestvenski dit werk uit met het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Schnittke noemde het 'een vraagteken naar de levenskansen van de symfonie'. Sovjet-critici noemden de collage-achtige aanpak, het gebruik van toevalselementen, visuele effecten enquasi-jazzimprovisaties een 'intellectualistisch' en 'gekunsteld'.

Schnittke ontwikkelde zijn een 'polystilistische' muzikale taal. Steeds meer werden zijn werken eigentijdse commentaren op de muziekgeschiedenis. Zo begint (K)ein Sommernachtstraum (1985) voor een groot orkest als een vriendelijk, Mozart-achtig rondo, 'niet gestolen, maar vervalst', zoals de componist zelf zei. Maar geleidelijk verandert de droom in een nachtmerrie en ten slotte worden de laatste resten van de vredige sfeer weggeblazen door koper en klarinet. Uit dit werk blijkt Schnittke's voorkeur voor extreme muzikale gebaren en grote contrasten in dynamiek, in het gebruik van instrumenten en in stijl. Het ene moment verkeert de luisteraar in een vertrouwde barok-klank, onmiddellijk daarna wordt hij opgeschrikt door schrijnende harmonieën en bizarre kwarttoons-clusters.

Schnittke wordt sinds de jaren zeventig in het Westen gezien als een van de belangrijkste Russische componisten sinds Prokofjev en Sjostakovitsj. Mede door de archaïsche, direct aansprekende en verleidelijke klank wordt hij door een groter publiek gewaardeerd. Van Schnittke is meer muziek op cd verschenen dan van welke hedendaagse componist dan ook. In een interview zei hij dat hij na aankomst bij het station van de 'manmoedige probeersels der seriële zelfverloochening (-) besloot uit de reeds overvolle trein te stappen' en te voet verder te gaan.

Het duurde tot 1977 voordat Schnittke, ondergedoken als muzikant in een Russisch orkest, voor het eerst in het Westen kwam. Ook nadien kreeg hij slechts zelden een uitreisvisum, waardoor hij veel premières van zijn werken niet kon horen. Nog in 1984 werd hem geweigerd om een serie concerten in Wenen bij te wonen, ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. Een jaar later kreeg hij een beroerte. Hij werkte daarna nog wel, maar niet meer in het tempo dat hij graag zou willen. Sinds Schnittke in november 1990 ook over een Duits paspoort beschikte, leefde hij afwisselend in Hamburg en in Moskou. In de laatste jaren vrijwel uitsluitend in Duitsland.

De gezondheid van Schnittke ging langzaam verder achteruit. In 1992 kreeg hij opnieuw een beroerte. Hij werkte toen aan de opera Life with an Idiot op een libretto van de schrijver Victor Jerofejev, die op 13 april 1992 in première ging bij de Nederlandse Opera onder leiding van dirigent Mstislav Rostropovitsj. Het was een tragische komedie, met briljante, grillige muziek die wordt voortgestuwd door tango's, walsen en een valse Internationale. Het was uiteindelijk de eerste en de laatste Sovjet-opera.