ZONSTRAAL IS 400 KM KLEINER DAN GEDACHT EN VARIEERT TOCH NIET

De straal van de zon is constant, maar iets kleiner dan wordt aangenomen. Dat concluderen T.M. Brown, van het High Altitude Observatory in Boulder (VS), en J.Christensen-Dalsgaard, van de Aarhus Universiteit in Denemarken (Astrophysical Journal Letters 500, L95). Op het High Altitude Observatory werd in de jaren tachtig zo mogelijk iedere dag de schijnbare diameter van de zon gemeten. Dat gebeurde met de Solar Diameter Monitor, een instrument waarmee de tijdstippen werden vastgelegd waarop de oost- en de westrand van de zon om precies 12 uur over een vast opgestelde detector bewogen. Een automatisch volgsysteem zorgde er voor dat het middelpunt van de zonneschijf altijd centraal over de detector schoof, zodat de echte, equatoriale diameter (en geen koorde) werd gemeten.

Uit de duur van de aldus gemeten passages werd vervolgens met behulp van een speciaal rekenprogramma de werkelijke straal van de zon afgeleid. Hierbij moest rekening worden gehouden met de variërende afstand tussen de aarde en de zon, de aswenteling van de aarde, de variërende hoogte van de zon in het zuiden en de beweging van het centrum van de zon ten opzicht van het barycentrum van het systeem aarde-zon. Voorts moest met behulp van een fysisch model van de zonsatmosfeer het effect van het niet-momentaan verschijnen en verdwijnen van het licht van de zonneschijf in rekening worden gebracht.

De onderzoekers definiëren in hun analyses de 'rand' van de zon als die hoogte waar de stralingstemperatuur van het zonnegas gelijk is aan de werkelijke temperatuur (dat wil zeggen de temperatuur die een object op dat punt zou aannemen). Zij vinden dan voor de straal van de zon een waarde van 695.508 kilometer, met een geschatte fout van 26 km. Deze waarde is kleiner dan de 695.990 km die sinds 1973 in standaardwerken wordt gegeven. Hij is ook kleiner dan de 695.780 km die onlangs is afgeleid uit analyses van bepaalde golven op en in de zon. De astronomen vinden voorts dat de straal van de zon in de jaren tachtig niet varieerde, in tegenstelling tot wat sommige andere astronomen hebben gevonden. Mogelijk zijn deze vermeende variaties een schijn-effect dat samenhangt met de cyclische variatie van de activiteit van de zon.