Samenwerking is in Zuid-Azië nog steeds een illusie

De samenwerking van de zeven Zuid-Aziatische landen (SAARC) hield deze week in de Sri Lanka zijn jaarlijkse top. De Zuid-Aziatische economie wordt echter overschaduwd door de spanningen tussen India en Pakistan.

COLOMBO, 1 AUG. Met een arbeids- en afzetmarkt van bijna 1,3 miljard mensen zou Zuid-Azië een belangrijke pijler van de wereldeconomie moeten zijn. Hoewel niemand ontkent dat de landen op het subcontinent potentiële Aziatische tijgers zijn, is de regio echter een achtergebleven gebied met, afgezien van toeristenoord de Malediven, louter ontwikkelingslanden: India, Pakistan, Bangladesh, Sri Lanka en de Himalaya-koninkrijkjes Nepal en Bhutan. De regio herbergt niet alleen eenvijfde van de wereldbevolking, maar ook veertig procent van alle armen op aarde.

Maar niet alleen daarom is het voor de SAARC-landen moeilijk gebleken zich te ontworstelen aan het imago van een ernstig vervuilde regio waar honderden miljoenen analfabeet zijn (alleen op Sri Lanka en de Malediven is meer dan de helft van de bevolking geletterd), waar geen sanitaire voorzieningen of veilig drinkwater zijn en waar ziektes en honger bij het leven horen zoals de sneeuw bij de Himalaya's.

Vrijwel dagelijks overtreden de twee belangrijkste landen, India en Pakistan, artikel 1 van het SAARC-verdrag van dertien jaar geleden. “Goede burenrelaties” onderhouden zij niet, laat staan dat ze “samenwerken”, het conflict over Kashmir is het grootste struikelblok. De eerste vijftig jaar van hun onafhankelijkheid hebben India en Pakistan zich vooral vastgebeten in onderlinge oorlogen, diep wantrouwen en spanningen. Het dieptepunt waren de elf lik-op-stuk-kernproeven in de woestijnen van Rajasthan en Baluchistan.

De economische top deze week in Colombo roept op zijn minst een aantal tegenstrijdige gevoelens op, zegt een Westerse analist. De regeringsleiders en staatshoofden spreken over samenwerking op telecommunicatiegebied en zelfs over een Zuid-Aziatische vrijhandelszone in het jaar 2001, terwijl van enige handel tussen India (970 miljoen inwoners) en Pakistan (140 miljoen) nauwelijks sprake is. Tussen beide landen is welgeteld één grensovergang open, en daar kunnen Indiërs en Pakistanen alleen met de allergrootste moeite oversteken.

Na de economische sancties als gevolg van de kernproeven staan India en Pakistan er economisch slecht voor. Dat geldt met name voor Pakistan, dat nog enkele weken kan importeren uit het buitenland, voordat de laatste reserves zijn opgesoupeerd. Het is zelfs de vraag of Islamabad, met een buitenlandse schuldenlast van 30 miljard dollar, de komende maand kan voldoen aan zijn afbetalingsverplichtingen aan de internationale financiële instituten.

De vijandige houding tussen India en Pakistan betekent niet dat SAARC sinds zijn oprichting in de Bengaalse hoofdstad Dhaka in 1985 helemaal niets heeft bereikt. Binnen de SAARC, destijds opgericht naar het voorbeeld van de toenmalige Europese Gemeenschap, zijn in de loop van de jaren verdragen gesloten voor bijvoorbeeld het telefoonverkeer en verschillende gezamenlijke projecten op het gebied van de volksgezondheid, cultuur en sport uitgevoerd. Maar echte doorbraken, zoals intensifering van de handel, gelijkschakeling van de import- en exporttarieven of een gezamenlijke aanpak van de vaak schrijnende armoede in de honderdduizenden dorpen op het platteland, blijven uit zolang India en Pakistan de facto weigeren actief deel te nemen aan het samenwerkingsverband.

“Het is doodzonde', zegt een diplomaat in Colombo. “Deze landen hebben zo verschrikkelijk veel potentie. Zodra ze gaan beseffen dat ze alleen door economische samenwerking kunnen uitgroeien tot Aziatische tijgers zal er veel veranderen in Zuid-Azië. Maar tot die tijd is het vooral hopen dat de onderlinge spanningen tussen India en Pakistan afnemen.”