Oorlogsmuseum Overloon

Er zijn dagen dat je je nergens kunt voorstellen dat het ooit oorlog is geweest, ook hier niet. Dan zie je een doodnormaal stuk bos om je heen. Dan zie je mensen lopen die je ook in de dierentuin zou kunnen zien lopen. Dan zie je de tanks, die hier zijn opgesteld, als jongensspeelgoed in het groot, het resultaat van een soort omgekeerde modelbouw.

Of misschien moet je zeggen dat je je dan juist hier niet kunt voorstellen dat het ooit oorlog is geweest - omdat het hier zo nadrukkelijk de bedoeling is.

Maar het staat toch wel vast dat de geallieerden op 17 september 1944 de operatie-Market Garden begonnen. De greep naar Arnhem mislukte, maar van Eindhoven naar Nijmegen kon een corridor worden geopend, en om die te beveiligen moesten de Duitsers worden verjaagd uit Venray, en om in Venray te komen moest Overloon worden genomen.

Drie weken duurden de gevechten. Ze groeiden uit tot een ware tankslag. De Duitsers verdedigden zich verbeten, in laatste instantie met de bajonet, in allerlaatste instantie met scherpgeslepen pioniersschoppen.

Toen de inwoners van Overloon terugkeerden uit de evacuatie, vonden zij hun dorp verwoest. De velden omgeploegd, de bossen geblakerd, overal versgedolven graven (er sneuvelden in die dagen ongeveer 2.500 soldaten - ik tel Amerikanen, Engelsen en Duitsers maar gewoon bij elkaar op; het is nu al zo lang geleden).

Vrijwel direct werd het idee van een gedenkteken, een museum, geopperd. Het materiaal lag voor het oprapen: een keur van kapotgeschoten oorlogstuig in een zee van achtergelaten uitrustingsstukken. Deze spullen - stille getuigen, zij zijn erbij geweest - vormen nog steeds de ruggengraat van de collectie. Op 25 mei 1946 werd de opening verricht door generaal-majoor Whistler, bevrijder en verwoester van Overloon, beschermheer van het museum, nu voluit: het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum.

In zijn werkkamer, waar de pas gerestaureerde bureaustoel van Mussert (zie het gehate NSB-embleem in de rugleuning) zijn bestemming staat af te wachten, informeert Stef Temming, de huidige directeur, me over latere veldslagen, gevechten in vredestijd - eerst en vooral die om erkenning.

Er is eens een Rijkscommissie voor de Musea geweest die het Oorlogsmuseum afdeed als een 'toeristische attractie'. En daar gaat je reputatie, je subsidie. Dus toen Temming aantrad, in 1986 was dat, was zijn grootste zorg het redden van de overheidssteun.

Onder 'cultuur' kon het museum niet terecht, want cultuur is kunst en oorlog, hoe inspirerend ook, is nu eenmaal géén kunst. Dan lijkt het ministerie van WVC een adres dat je wel kunt schrappen, maar opeens zwaait er een open deur naar een zijkamertje en daar blijkt de directie VVB te zetelen. Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burgerslachtoffers. Daar hebben ze een potje voor immateriële zorg, ook bedoeld voor jeugdvoorlichting. Duidelijk geld met een onduidelijke bestemming, een buitenkansje. Voor zijn educatieve taken kan het museum daar wel wat van krijgen - drie tot vijf ton per jaar, nooit meer dan eenderde van zijn totale budget.

Goed, nu zijn vriend en vijand het er over eens dat het Oorlogsmuseum prachtig werk doet, en dan gaat het hele systeem toch weer op de helling. Nu krijgt het een soort afscheidssubsidie, noem het een afkoopsom, een gouden handdruk. Vijf miljoen ineens, maar hoe lang kan een museum vooruit met vijf miljoen? Geld, dat blijft een strijd.

Verder is er het gevecht om behoud van het materiaal, in feite een gevecht tegen de natuur. Dat zij het verschroeide slagveld binnen de kortste keren weer in een vriendelijk stuk bos verandert, kun je uiteraard alleen maar respecteren. Maar zij zet haar tanden ook in pantserstaal en begint onverstoorbaar om zich heen te vreten.

Sommige voertuigen waren - om ze te conserveren - volgestort met cement. Maar cement reageert betrekkelijk heftig op vocht en temperatuur en kijk, die spullen hoeven natuurlijk niet operationeel te zijn, maar ze moeten wel ergens op lijken.

Een andere oorlog kwam uiteindelijk te hulp - 1989, de Golfoorlog. Allerlei geallieerd militair materieel werd versneld teruggetrokken uit Duitsland om te worden ingezet tegen Irak. Zo kwamen werkplaatsen van het Britse Rijnleger in Mönchengladbach leeg te staan, terwijl men daar nog wel een contingent burgerpersoneel onder contract had. In de zomer van '91 hebben Duitse burgers onder Engels gezag belangrijke onderdelen van het Overloons museumbezit gerestaureerd en geconserveerd, gratis, met dank aan Saddam Hussein.

Wat er nu nog buiten staat, overgeleverd aan de grillen van weer en wind, is voor een deel klauterspul voor de jeugd. De gevoeligere ijzerwaren (tanks, jeeps, pantserwagens, kanonnen, vliegtuigen en noem maar op) zijn inmiddels opgesteld in een expositiehal. Daar, in die mooie ruimte, waar een Kröller-Müllerachtig licht hangt, worden zij geacht hun werk te doen. Want, laat daarover geen misverstand bestaan, wij zijn tégen de oorlog.

Dit museum is niet bedoeld om te verheerlijken.

Dit museum is bedoeld om te waarschuwen en daarom probeert het de hele oorlog te omvatten, ook het oostfront, de hongerwinter, de illegaliteit, de standrechtelijke executies en de kampen. Om te laten zien hoe mensen, met al hun vernuft en volhardingsvermogen, kunnen ontsporen. En dat daar dan iets tegen gedaan moet worden.

Intussen berust het beheer van deze nalatenschap natuurlijk allang bij de volgende generatie. Temming heeft de oorlog net zo min meegemaakt als ik. Dat betekent niet dat we er niets over te zeggen hebben. De afstand neemt voortdurend toe, maar er ontstaan toch steeds weer nieuwe verhalen die iets van de oorlogswerkelijkheid behelzen.

Hij zat een keer in deze zelfde kamer (maar zonder die stoel van Mussert tegen de muur) met een groepje Engelse veteranen te praten. Ze hadden zelf in Overloon gevochten. Komt een medewerker besmuikt zeggen dat er uitgerekend op dat moment een groepje Duitse veteranen was gearriveerd. Zij hadden ook zelf in Overloon gevochten, zij wilden ook de directeur wel eens spreken. Wat is er aan de hand, vroegen die Engelsen. Nou eh, er staan...Duitsers voor de deur en eh... Maar laat die mannen toch binnen, zeiden ze. Dus die, Engelsen en Duitsers, begonnen elkaar de hand te schudden en op de schouder te slaan en al gauw was het: man man, wat ben ik blij dat ik jou niet overhoop heb geschoten.