Nieuwe spierballen; Albanese UÇK zegeviert zolang Servië dat toestaat

Het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK heeft zijn militaire strijdkracht overschat. Het kon alleen zo'n groot deel van Kosovo beheersen, omdat de Serviërs het ongemoeid lieten. Over de glamour en de overmoed van een snel gegroeid rebellenlegioen.

De Tijger' had het prima naar zijn zin in Kosovo. “In Duitsland had ik één vrouw, hier heb ik er wel drie.” De UÇK-commandant legde zijn vork neer en sloeg een arm om de blondine die naast hem zat. Het meisje sloeg hem quasi-pinnig van zich af.

Vorige week deelden we hotel Hoxha met de Tijger en zijn peloton, jonge studenten en studentes uit Priština. De sfeer deed denken aan een schoolreisje; de hele nacht gegiechel en gehol over de gang. Buiten reed een stroom tractors en paardenkarren met terneergeslagen Albanese vluchtelingen door het donkere Mališevo. Tien kilometer verderop was het Kosovo Bevrijdingsleger namelijk bezig met zijn stoutmoedigste operatie tot dusver: een aanval op het wijnstadje Orahovac. De strijd om Kosovo verliep voorspoedig.

De 21-jarige studente medicijnen Dita had onlangs besloten niet te gaan blokken voor haar tentamens maar zich bij het UÇK aan te sluiten. “Stuur je professor maar een bericht dat ik hem door het hoofd schiet als hij jou geen negen geeft”, grapte de Tijger. Dita huilde terwijl ze een brief voor haar ouders schreef, maar leek verder de zomer van haar leven te hebben. Ze rolde trots met haar nieuwe spierballen: “Militaire training.” Overdag bunkers graven of schietles, 's avonds om negen uur baantjes trekken in het zwembad van Mališevo. “UÇK in bikini”, lachte ze koket. “Als ik overdag ga zwemmen, ligt het hele zwembad gelijk vol jongens.”

Dita was vorig jaar nog vol illusies over 'president' Ibrahim Rugova en het pacifisme, nu even optimistisch over de gewapende strijd. Toen eind 1995 in Dayton de nieuwe verhoudingen in voormalig Joegoslavië werden vastgelegd, besteedden de grootmachten geen woord aan Kosovo. De legalisering van de Servische Republiek in Bosnië in het Dayton-akkoord bewees dat alleen geweld tot resultaat leidde. Rugova had niets bereikt. In 1996 pleegde het Kosovo Bevrijdingsleger zijn eerste aanslagen.

Dita's baas, de Tijger, was van een ander type. Zoals de meeste UÇK-commandanten was hij een gastarbeider. De honderdduizenden Albanezen in de Europese diaspora waren in de regel al veel eerder geradicaliseerd. Eind jaren tachtig vertrok de Tijger naar Wiesbaden en werd karateleraar. Toen in maart het vaderland riep, nam hij een vliegtuig naar Tirana. In het Noord-Albanese bergdorp Tropojë kocht hij drie kalasjnikovs, daarmee was hij 's nachts de grens met Kosovo over geslopen. Binnen twee maanden had hij zich binnen het UÇK een reputatie verworven. “'s Avonds bel ik mijn vrouw in Duitsland”, zei de Tijger. “Ze huilt en vraagt wanneer ik terugkom. Maar Duitsland kan de pokken krijgen. Daar kijken de mensen op me neer.”

Volgens de Tijger was de strijd al vrijwel gewonnen. De Serviërs verscholen zich angstig achter hun zandzakken. “Het hart ontbreekt bij hen. Ik zie niet in hoe ze ons kunnen tegenhouden.” Al was het UÇK in militaire zaken onervaren, Albanese vurigheid zou dat gebrek ruimschoots compenseren, meende een van zijn studentsoldaten. “Albanees brood wordt gemaakt van maïs, Westers brood van graan”, legde hij uit. “Als je maïs op het vuur gooit, wordt het popcorn en springt het alle kanten uit. Als je graan op het vuur gooit, verkoolt het. Vuur is slecht voor jullie, maar goed voor Albanezen.”

Enthousiasme alleen is niet genoeg, weet het UÇK nu. In Orahovac sloeg een beter bewapende, bepantserde en getrainde Servische overmacht de Albanese milities terug. Tienduizenden inwoners van Orahovac sloegen op de vlucht. Anderen, die soms drie dagen in hun kelders opgesloten zaten, werden in een benzinestation bijeengedreven en moesten de Servische woede over zich heen laten komen. In de gevechten rond Orahovac stierven ten minste 51 Albanezen, mogelijk drie keer zo veel. Door granaten, scherpschuttersvuur of Servische represailles.

Een week later viel ook Mališevo, de 'hoofdstad' van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK, voor oprukkende pantsercolonnes. Vanavond slapen Servische politietroepen in hotel Hoxha. Niemand verdedigde de loopgraven en bunkers, de aarden wallen en de barricades van roestige landbouwwerktuigen die het UÇK met zoveel ijver had aangelegd. De tienduizenden vluchtelingen, de kioskhouders, de kindhandelaartjes met hun sigaretten, de Policia Ushtarake in hun zwarte uniformen, de vrachtwagens met frisdrank, de paardenkarren met watermeloenen, de Audi's met gele UÇK-nummerplaten: ze verdwenen spoorloos in de heuvels, bossen en maïsvelden. De hoofdstad van het UÇK veranderde in één dag in een spookstad.

Lunchen

De rebellenromantiek van het UÇK en haar kleurrijke leiders - de Tijger, de Leeuw, de Wolf, de Cobra, de Sultan - leidde de afgelopen maanden tot overdreven inschattingen van haar militaire stootkracht. In maart, toen Servische politietroepen tijdens een strafexpeditie in het Drenica-gebied tachtig Albanezen doodden, ontkende de lokale bevolking nog ten stelligste dat er milities bestonden.

Drie maanden later was de ondergrondse bovengronds gekomen, en gaf het UÇK al te hoog op van haar slagkracht. Ook die boodschap sloeg aan. Het UÇK beheerst veertig procent van Kosovo, zo heette het begin juli, Kosovo glipt de Serviërs als zand door de vingers. The New York Times repte op 11 juli van “een dramatische omslag in de machtsbalans”. Het UÇK zou zijn uitgegroeid tot een staand leger van bijna 18.000 man. De Albanese milities zouden naast tienduizenden machinegeweren nu ook beschikken over luchtafweergeschut, mortieren en modern antitankgeschut. De wapenaanvoer uit Albanië was “onuitputtelijk”, evenals de financiën. “Soldaten lopen met dikke rollen Duitse marken op zak.” Het tij keerde zich tegen de Serviërs.

Dit weekeinde prikten de Serviërs de UÇK-ballon lek. Wat serieuze militaire analisten al vermoedden, bleek waar: het UÇK kon alleen zo'n groot deel van Kosovo beheersen doordat de Serviërs dat ongemoeid lieten. Voor de 'bevrijding' van Mališevo had het UÇK bijvoorbeeld geen schot hoeven te lossen. De Albanese burgemeester Jakup Kastriati vertelde ons begin juni dat de politie het halfgesloopte politiebureau al vijf jaar geleden had verlaten. Nominaal werd zijn stadje geregeerd vanuit de Servische enclave Kijevo, in werkelijkheid bestuurde Kastriati de gemeente al jaren - domweg omdat er nauwelijks een Serviër woonde. In mei reed er voor het laatst een politiekonvooi door Mališevo en verliet het Servisch personeel het postkantoor. Daarna durfden de inwoners van Mališevo opeens rond te lopen met geweren en UÇK-insignes.

In Kosovo kon de afgelopen maanden ook nog niet gesproken worden van een oorlog: daarvoor ontzagen de partijen elkaar te zeer. Twee weken geleden reden we naar de mijn van Stari Trg. Servische politie en UÇK zouden hier slaags zijn geraakt. Onderweg stuitten we in een nauwe vallei op een stelling van het UÇK. Terwijl onze auto tot stilstand kwam, hoorden we vanuit een ruïne het geklik van een vijftal geweren dat ontgrendeld werd. In de berm stak een besnord hoofd uit een stapel graspollen. Na een fouillering door een recruut die te veel Amerikaanse politieseries had gezien, reden we naar de commandant. Die hield het kort. Geschoten was er vandaag niet, en nee, we konden niet doorrijden, en nee, een gesprek zat er ook niet in. Op de terugweg zagen we de Servische troepen op een terras in het dorp 'Eerste Tunnel' achter het bier en het koude varkensvlees. Later hoorden we dat de partijen een uur lang op elkaar hadden geschoten, totdat de Serviërs het welletjes vonden en gingen lunchen.

Ook elders bleef de strijd min of meer beperkt. UÇK'ers vermeden legerkampen en beperkten hun aanvallen tot de politie, die soms reageerde met brute represailles tegen de bevolking. Het leger was op zijn beurt voornamelijk actief in een vijf kilometer brede grensstrook met Albanië en Macedonië. Servische staatsbedrijven voorzagen het 'bevrijd gebied' in Kosovo gewoon van elektriciteit. De politie deed weinig moeite trucks met handelswaar voor 'bevrijd gebied' te onderscheppen en vorige week kon je in Mališevo nog ongestoord met het buitenland bellen. Na vijf maanden strijd ligt het aantal doden in Kosovo rond de vijfhonderd, naast enkele honderden 'verdwijningen'.

Waar het tot grootschalige gevechten van enige omvang kwam, dolf het UÇK het onderspit. Het gebrek aan ervaring, samenhang en strategie brak het Kosovo Bevrijdingsleger tot dusver op. Het rebellenleger lijkt nauwelijks te beseffen hoe een guerrilla-oorlog moet worden gevoerd. Een lichtbewapende strijdmacht die tegenover een enorm overwicht aan tanks, vliegtuigen en artillerie staat, kan beter geen grondgebied verdedigen, laat staan loopgraven en bunkers aanleggen - de favoriete bezigheid van het UÇK. Waar de vijand aanvalt, verdwijnt een guerrillaleger in de bossen; waar de aanval stokt, hergroepeert het zich om geïsoleerde eenheden aan te vallen. Maar het UÇK bestaat overwegend uit dorpelingen die, zo werd ons op vele plaatsen verzekerd, “alleen hun huizen en families willen verdedigen”. Boeren die zich ingraven als soldaten in de Eerste Wereldoorlog en wachten op wat komen gaat.

Wel viel de laatste tijd op dat het UÇK enig centraal gezag begon af te dwingen. Het richtte trainingskampen, hoofdkwartieren en militaire gevangenissen op.

Als er zoiets als nationale ondeugden bestaan, is de Albanese ondeugd ongeduld. In 1908 zag de Engelse antropologe Edith Durham hoe de Albanese clans in de stad Shköder twaalf dagen dansten en feest vierden over de constitutie, die de 'Jonge Turken' hadden uitgeschreven voor het hele Ottomaanse Rijk. De Albanezen bleken snel uitgekeken op hun 'Konstitutzioon'. “Konstitutzioon is een grote mislukking”, vertelde een Albanese gids. “Zij beloofde ons wegen, spoorwegen, scholen, orde en rechtvaardigheid. Maar nu hebben we Konstitutzioon al twee maanden en zij heeft nog niks gedaan.” Toen Durham probeerde uit te leggen dat de Albanezen hard moesten werken en belasting betalen om een Westerse levensstandaard te bereiken, dat een constitutie slechts de eerste stap was, antwoordde hij: “Als Konstitutzioon niet rijk genoeg is om deze dingen voor ons te doen, kan zij naar de duivel lopen.” Een kansloze revolte tegen het Turkse bewind volgde.

Represailles

Achteraf is het een mirakel dat de Kosovo-Albanezen zich acht jaar lang neerlegden bij de lijdzame politiek van Rugova. Minder verbazend was de razendsnelle groei en de aanvalsdrift van het UÇK. Dat werkte zelfoverschatting in de hand. UÇK-woordvoerder Jakup Krasniqi liet begin juli in Der Spiegel weten dat het UÇK nu sterk genoeg was om de steden van Kosovo aan te vallen. Onderhandelingen met de Serviërs waren uitgesloten. Een onafhankelijk Kosovo - voor zowel Servië als de internationale gemeenschap al een brug te ver - ging Krasniqi nog lang niet ver genoeg: het doel was Groot-Albanië, minimaal bestaand uit Albanië, Kosovo en de Albanese gebieden in Macedonië.

Het UÇK schaadde haar imago verder door per fax de totale mobilisatie van alle Albanezen te gelasten en gematigde politici bloedige represailles in het vooruitzicht te stellen. Daar kwamen ontvoeringen en moorden op Servische burgers en Albanese 'collaborateurs' bij. De Amerikaanse diplomaat Richard Holbrooke werd vorige maand tijdens zijn mission impossible in Kosovo wanhopig van de Albanese verdeeldheid en van de onverzoenlijkheid van het UÇK. In het UÇK-bastion Junik ging de 40-jarige commandant en dichter Lum Haxhiu tot afgrijzen van Holbrooke met een geweer tussen de knieën naast hem zitten: een mooi plaatje voor de fotografen. Van onderhandelingen kon geen sprake zijn, maakte Haxhiu de diplomaat duidelijk, het was de vrijheid of de dood. “Ik heb geen magische oplossing”, bekende de ervaren trouble shooter.

De UÇK-bravoure bleek besmettelijk. In Priština maakten Albanese journalisten en politici zich deze maand al op voor de eindzege. Dukagjin Gorani, een journalist van de krant Koha Ditore, speculeerde bij de koffie triomfantelijk over de 'onmogelijke positie' van de Serviërs. Wilden ze de opmars van het UÇK naar de steden stuiten, dan moesten de Serviërs “duizenden burgers” doden. Dat kon gunstig uitpakken, zei Gorani luchtig, want dan moet de NAVO de Albanezen wel te hulp schieten. De Albanezen die met Belgrado wilden onderhandelen, zoals Rugova's gematigde rechterhand Fehmi Agani, “moeten zich ernstig zorgen maken of ze dit jaar fysiek overleven”.

Stadsguerilla

Deze harde toon keerde zich deze week tegen de Kosovo-Albanezen. Servische politietroepen en tanks sneden moeiteloos door 'bevrijd gebied', heroverden de belangrijkste verkeersaders en wierpen de Albanese strijders terug op de heuvels. In de Westerse hoofdsteden bleef het stil. Anonieme diplomaten lieten weten dat “het UÇK naast zijn schoenen loopt” of “een toontje lager moet leren zingen voordat er gepraat kan worden over een oplossing”. Zwitserland blokkeerde twee bankrekeningen die gebruikt werden om de 'oorlogsbelasting' van de Albanese diaspora in West-Europa naar het UÇK te sluizen. De denktank International Crisis Group voorspelde het op 28 mei al: “Het is redelijk aan te nemen dat Miloševic zijn moment zal afwachten, intussen klagend over de aanvallen van het UÇK, en terugslaat wanneer hij erop vertrouwt dat een bloedige operatie van de politie en het leger hem in het Westen geen schade zal berokkenen.” Dat moment kwam afgelopen week.

Een maand geleden dreigde de NAVO nog met bombardementen, nu kan president Miloševic zijn gang gaan met de zegen van het Westen. Gewoon door af te wachten tot de ruziënde Albanese politici en het UÇK het zichzelf onmogelijk maakten. Miloševic hield zijn politie aan de leiband, behalve waar het UÇK al te veel terreinwinst boekte, zoals in de stadjes Belacevac, Lodja en Orahovac. Die defensieve houding - terwijl bijna elke nacht agenten stierven bij aanslagen of in hinderlagen liepen - leidde tot frustraties. Een Servische agent uit Niš vertelde ons dat twintig collega's dienst hadden geweigerd in Kosovo. “Toen we met de bus in Mitrovica aankwamen, kregen we van onze commandant te horen dat we alleen mochten schieten als de terroristen op ons schoten. We moesten precies evenveel kogels gebruiken als onze aanvallers. 'Ontsla me dan maar', antwoordde een vriend van mij. 'Ik kan niet rekenen'.” De agent zal opgelucht zijn geweest toen hij deze week eindelijk voluit in de aanval mocht.

Servië heeft een slag gewonnen, maar het belang daarvan moet niet worden overschat. Het grootste angstbeeld blijft dat het UÇK de stap waagt naar de stadsguerrilla. Want de strategische situatie in Kosovo blijft gelijk: tien procent Serviërs tegenover negentig procent Albanezen. De Serviërs beheersen de dag, de steden, de asfaltwegen; de Albanezen de nacht, het platteland, de zandpaden.

Maar nu is het weer tijd voor Servische overmoed. Agenten zongen deze week de oude krijgsliederen uit de Eerste Wereldoorlog, toonden UÇK-trofeeën, staken voor de goede orde boerderijen in brand. “Deze klap komt het UÇK nooit te boven”, juichte een Serviër. “We hebben ze afgesneden van Albanië, ze krijgen geen nieuwe wapens meer. We sluiten ze nu op in de heuvels en wachten tot het winter wordt. Dan geven ze de strijd wel op. Albanezen zijn niet in staat tot een langdurige opstand. Daar hebben ze de ballen niet voor.”