Meer groen in de Dapperstraat

Er was eens een tijd dat de natuurbeweging gewoon actie voerde voor mooie natuur. Vrijwilligers ijverden voor het Naardermeer: goed voor de mens en fijn voor de vogels. Die campagne leidde tot de Vereniging Natuurmonumenten. Later zorgden stichtingen als Het Gelders Landschap er voor dat stadsmensen op zondag konden wandelen door landgoederen waar vroeger alleen adellijke families toegang hadden. Het goede werk van de natuurbeweging was op de landkaart te zien: het Naardermeer, de Kennemerduinen en de Hoge Veluwe hadden heldere grenzen en waren voor iedereen te vinden.

De moderne milieubeweging richt zich helaas meer en meer op abstracties die voor het menselijk oog niet meer waarneembaar zijn. Dr. Rijnders - namens de agressieve lobby Natuur en Milieu hoogleraar in Amsterdam - beweert dat straling van een zendmast op de Veluwe levensgevaarlijk is. Milieuminister De Boer laat haar ambtenaren opschrijven dat geen wetenschappelijke twijfel meer kan bestaan aan het broeikaseffect in het jaar 2100. In beide gevallen gaat het om veel te sterke beweringen op basis van rekenmodellen die maar net zo goed zijn als de er in gestopte veronderstellingen. Maar inmiddels hebben harde milieugroepen als Milieudefensie en Greenpeace zich al zo vastgebeten in het broeikaseffect dat het nieuwe regeerakkoord er ongeveer een miljard per jaar voor wil bestemmen. Zo probeert Natuur en Milieu leden te winnen met actie tegen radiogolven waar niemand iets van kan merken, en vechten Milieudefensie en Greenpeace om publiciteit voor een thema dat zelfs in het ergste geval nog tientallen jaren onzeker zal blijven.

Precies omdat de milieubeweging in veel grote campagnes mensen bang wil maken voor het microscopisch kleine of voor het jaar 2100, is geen appèl meer mogelijk aan wat iedereen kan zien of ruiken. Dertig jaar geleden was de stank van de industrie in de Rijnmond onmiskenbaar en had de milieubeweging een concreet en nuttig thema; nu komen er wetenschappers aan te pas om uit te rekenen wat er zou kunnen gebeuren als radiomasten uitzenden, zeewater kooldioxide absorbeert of tienduizend muizen een jaar lang moeten diëten met een chemisch preparaat dat mogelijk kankerverwekkend is. De wetenschappers hebben geld nodig voor meer computers en nog veel meer muizen en voelen dus de verleiding om hun resultaten zo sensationeel mogelijk te presenteren. Persberichten van Greenpeace hebben geen plaats voor methodologische scrupules en dus wordt op betwistbaar wetenschappelijk materiaal de volgende grote campagne gebouwd. Greenpeace kan niet bestaan zonder contribuanten; wetenschappers niet zonder hun researchbudget: de coalitie ligt voor de hand.

Vroeger was de natuurbeweging bewonderenswaardiger, en wist ze haar grote thema's concreter te kiezen. Gelukkig schrijft Peter Huber (Commentary, april 1998) dat er licht is aan het einde van de tunnel. Wetenschappelijke research en computermodellen zijn onmisbaar voor de moderne milieubeweging, maar daarmee moet die zich ook onderwerpen aan het oordeel van de wetenschap. En al malen de molens van de wetenschap langzaam, uiteindelijk delven onjuiste beweringen toch het onderspit. Tijdschriften als Nature of Scientific American helpen bij het bereiken van een verantwoorde wetenschappelijke consensus. Zo weten we nu bij voorbeeld uit onderzoek in Alaska dat moeder natuur zelf veel van de schade door lekken uit olietankers beter herstelt dan de extreme en uiterst kostbare bestrijdingsacties die altijd direct worden geëist door de milieulobbies. En we weten sinds kort ook uit onderzoek van ijslagen bij de Noordpool dat in de oertijd de temperatuur van de aarde zonder menselijk ingrijpen soms veel meer variabel was dan volgens de huidige modellen van het broeikaseffect, waaruit volgt dat de relatie mens - broeikaseffect echt nog bewezen moet worden. En tenslotte weten we dankzij prof. Lagendijk van de Universiteit van Amsterdam dat zijn door Natuur en Milieu gesponsorde collega Rijnders het publiek misleidde over de straling van de zendmast.

Mijn column van 6 juni ging over een ouderwets-concreet milieuprobleem. Nieuwbouwhuizen staan in Nederland, vooral in de Randstad, steeds dichter op elkaar. Waarom maakt de milieubeweging geen bezwaar tegen die vreemde trend om ondanks de hogere welvaart toch al maar meer huizen op een hectare te proppen, zodat kinderen niet meer fijn buiten kunnen spelen, en burgers vooral groen op het netvlies krijgen wanneer dat de kleur is van de auto van de overburen? Waarom voert de milieubeweging geen actie voor meer groen tussen de huizen? Een paar citaten uit de tientallen reacties van lezers: 'Dat een tuin ook groen kan zijn speelt geen rol, omdat in de ogen van de milieubeweging daar nauwelijks van natuur kan worden gesproken.' (raadslid Steenmeijer, Apeldoorn). 'Een te hoge concentratie van mensen op een te klein oppervlak en een te beperkte leefruimte in en rond de woning kan leiden tot sociale spanning en verpaupering [...] Een inhumaan beleid met betrekking tot de volkshuisvesting vormt een bedreiging voor onze cultuur.' (J.L.M. Elders, Amersfoort). 'De weinig kritische houding bij de milieubeweging voor het bouwen van huizen op een stukje grond van minder dan de helft van een strafschopgebied kan misschien ook wel verklaard worden uit de waarschijnlijkheid dat geen van de betrokkenen er op rekent ooit veroordeeld te worden tot een dergelijke behuizing.' (R. Hamburger, Dordrecht). 'Een fraai voorbeeld van het soort maatschappij dat de milieuactivisten voor ogen staat is te vinden in 'Blauwdruk voor Overleving' uit 1972 van Milieudefensie. Daarin is plaats voor hooguit 5 miljoen inwoners in Nederland.' (A.W. de Ruyter van Steveninck, Leiden). 'De milieubeweging is haar greep op de gebeurtenissen kwijtgeraakt. De standpuntbepaling wordt chaotisch en willekeurig[...] de inhoud is niet opzienbarend[...] De overheid stelt normen en de milieubeweging wil scherpere normen. De overheid geeft geld voor sanering en de milieubeweging wil meer geld. De overheid stelt een doel en de milieubeweging wil daarvoor een kortere termijn[...] De milieubeweging staat in de zijlijn te moraliseren en met wat oppervlakkige cijfertjes te zwaaien.' (Henk Bakker, Leiden).

Als dank aan hen en nog vijf anderen een exemplaar van de NYFER-studie: 'Modes in het Milieudebat' (Sdu Uitgeverij, Den Haag, 1998). Mijn prijs van 1.000 gulden gaat naar Berno Koning uit Malden die het zuiverst aangeeft wat de emotionele basis is voor het accepteren van steeds kleinere kavels in de bouw: 'De natuur wordt als een grootheid beschouwd die tegenover de mens staat. Ingeburgerd in ons spraakgebruik zijn uitspraken als 'het aan de natuur overlaten', 'landbouwgrond teruggeven aan de natuur', 'de natuurlijke bestemming van grond moet worden hersteld'[...] Al deze uitspraken miskennen dat de mens deel uitmaakt van de natuur. Wie dit ontkent zal zo veel mogelijk de mens uit de natuur willen halen. Opnieuw is duidelijk waarom de milieubeweging enthousiast kan meedenken over VINEX-locaties. Dergelijke locaties beperken de ruimte waar de mens zich bevindt en zijn verovering op de natuur.'

Dichter Bloem was nog domweg gelukkig in de 'grauwe, stedelijke wegen'. Twee generaties verder is Nederland rijk genoeg voor meer groen in de Dapperstraat. Verdrietig dat de milieubeweging daar blind voor lijkt te zijn.