Knieval voor het spiritisme

Een kleine villa aan de rand van Oentsjerk, op het Friese platteland. In de hal staat een bidstoel, in de woonkamer is de inrichting modern: een zwarte, kogelronde open haard, zwartleren stoelen en parket. Derk Jansen (60) is een gedrongen man met bril en grijs borstelhaar. Niet alleen hijzelf straalt rust uit; in de straat is het doodstil, de huizen aan de overzijde staan op afstand met daarachter bos; het enige teken van leven is de kat in de tuin.

Derk Jansen begon zijn carrière als onderwijzer, was achtereenvolgens leraar aan een Mulo, Mavo, Meao en schooldecaan: “Een geleidelijke carrière zonder ups en downs. Tot 1992 werkte ik op een scholengemeenschap in Leeuwarden, waar ik adjunct-directeur was geworden en Nederlands en Maatschappijleer gaf. Ik was 55 en kon door een fusie weg. Misschien had ik directeur of rector kunnen worden, maar ik besefte: als ik dat doe, kan ik promoveren wel vergeten. Ik mis de school voor geen meter.”

Hij promoveerde in 1994: “Een gezegend jaar. Mijn zoon Gijsbert promoveerde op een onderzoek over de darmflora en mijn dochter Annemarie studeerde af. Het was opschieten, want mijn promotor Freek Knetsch werd 70 jaar en verloor zijn jus promovendi. Ik had nog een inleiding over spiritisme moeten schrijven en onder andere aandacht moeten besteden aan Paracelsus en Agrippa von Nettesheim.Dan had ik de boog kunnen trekken van de late middeleeuwen tot 1900, maar dat is er niet meer van gekomen.”

Over zijn proefschrift: “In de negentiende eeuw was er binnen de Nederlands Hervormde Kerk in Groningen een stroming die bang was dat de Modernen allerlei zekerheden onderuit gingen halen, zoals het wonder, en met name het wonder bij uitstek: de opstanding van Christus en het eeuwige leven. Ze probeerden het dus wetenschappelijk te verklaren en kwamen terecht bij het spiritisme. Ze woonden seances bij, want na de opstanding is Christus immers ook gematerialiseerde geest. Ze beriepen zich op de natuurwetenschap: welke wetten regeren hier? Ze stelden dat men nog niet in staat was wetten te formuleren omtrent materialisaties van geesten, wat uiteraard een uitvlucht was.”

H.M. Kuitert schreef over het proefschrift in deze krant: “... wat het boek interessant maakt is de knieval van de Groningers voor het spiritisme, met alles wat erbij hoort, tot en met reïncarnatie toe.” Jansen: “Sommige mensen keken je wat meesmuilend aan. Bij spiritisme denk je aan een groepje bejaarden dat in café Tivoli bijeenzit, waar dan een medium verschijnt. Een aantal keren heb ik seances bijgewoond, maar ik heb er niet zo'n affiniteit mee. Als je erin gelooft, denk ik dat je wat kunt zien.” De Fries heeft MO Nederlands gedaan, MO Geschiedenis en vervolgens, gedreven door eerzucht en nieuwsgierigheid, zijn doctoraal gehaald. “Na de MO ging ik aan de universiteit in Groningen verder. Ik kon het in twee jaar in de avonduren halen. Tijdens een werkcollege bleef bij de taakverdeling het spiritisme over. Ik had er eigenlijk geen zin in, maar heb het toch gedaan. Ik schreef er twee artikelen over die mijn latere promotor, de hooggeleerde professor Knetsch, las. Hij nodigde me uit er verder op in te gaan. Ik leverde in één keer zeven, met de hand geschreven hoofdstukken in. Dat vond hij er te brokkelig uitzien. Toen heb ik het uitgetypt. Daarna leverde ik snel een volgende hoofdstuk in, te makkelijk, ik ging veel minder diep. Ik kan me voorstellen dat hij bijna van zijn stoel viel. Het werd meteen afgestraft; volledig afgekraakt. Ik heb er in totaal een kleine tien jaar over gedaan. Ik ging drie weken op vakantie en de rest van de vakanties bracht ik in archieven en in de bibliotheek van Leeuwarden door. Zijn co-promotor Tamse zei: “U heeft de historiografie van Groningers een flinke schrede verder geholpen”. Diverse studenten hebben op basis van Jansens proefschrift een ander verhaal over spiritisme geschreven. “Het is een empirische, beschrijvende studie. Het theorievormende element is, dat ik aantoon dat er een christelijk spiritualisme is geweest.”

Hij rookt een sigaartje, maar die maakt hij uit als we naar boven, naar zijn werkkamer gaan. Onder een schuin dakbeschot staat zijn werktafel op schragen. Derk: “Ik zou graag een grotere kamer hebben, want ik kan mijn computer en mijn boeken niet meer kwijt.” In de boekenkast staat de vijfdelige Christelijke Encyclopaedie met goudopdruk in Jugendstil: “Die was van mijn schoonvader. Er staat veel in over het spiritisme, onvoorstelbaar grondig!”

Over zijn jeugd: “Mijn familie komt oorspronkelijk uit Oost-Friesland, maar ik ben in 's Hertogenbosch geboren. Mijn vader werkte als slager in diverse plaatsen; als hij het ergens beter kon krijgen verhuisden we. Mijn ouders waren niet kerkelijk. Ik kon goed leren, was een voetballer en speelde saxofoon, bob. Toen we in Groningen gingen wonen, ging ik na de MULO naar de Kweekschool Met den Bijbel, waar ik mijn vrouw ontmoette. Ze heeft MO Theologie gedaan en de voorgangersopleiding van de Nederlandse protestantenbond. Nu preekt ze vooral in doopsgezinde gemeenten.” We gaan terug naar de huiskamer. Zijn vrouw vertelt: “Het promoveren hoorde als het ware bij ons leven. Ik heb het nooit als een druk ervaren. Mijn man volgde eerst twee sporen: zijn werk en de wetenschappelijke studie. De keuze voor promoveren gaf zijn leven een wending en maakte het boeiender voor hem. Daar ben ik erg blij mee.” Derk toont een fotoboek van de promotie, in een oude senaatszaal met rijen geschilderde portretten van hoogleraren: “Het was een goudgerande dag. Ik was ontzaglijk zenuwachtig, maar het ging heel aardig. Enkele mensen dacht dat ik theoloog was: 'Waar staat u in Friesland, dominee?' Misschien heb ik er ook wel een beetje het hoofd voor.”

Gelukkig viel Jansen na het promoveren niet in een zwart gat. “Ik heb dan wel geen hobbies, maar fiets en wandel regelmatig. Daarnaast ga ik elke dag vijf, zes uur naar boven, naar mijn eigen tempel om te werken. Vorig jaar heb ik artikelen geschreven over Van Eeden en het spiritisme, het Kollumer oproer en over een secretaris van Troelstra die spiritist was. Ik geef lezingen, publiceer onder andere in It Beaken en ik ben redactielid van het Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800. Voor de Biografische Lexicon van de Geschiedenis van het Nederlands Protestantisme heb ik de levens beschreven van mensen die zich bezighielden met spiritisme, avontuurlijke geesten die proberen het rationele, platte leven te overstijgen. Hendrik Thoden van Velzen bijvoorbeeld, predikant en volstrekt vergeten filosoof, die twintig boeken schreef. De zolders van zijn pastorie bogen door vanwege de onverkochte exemplaren. Ik ben nu benaderd voor een research-netwerk over alchemie, Paracelsus, rozekruizers en post-kabbala. Razend interessant.”