In Kandla spoelen nog steeds lijken aan

De Indiase havenstad Kandla werd op 9 juni getroffen door een cycloon. Steun voor de overlevenden is er nauwelijks. Omdat weinig slachtoffers zijn teruggevonden kan vrijwel niemand bewijzen dat hij een familielid is kwijtgeraakt.

KANDLA, 1 AUG. De 70-jarige Mohammed schopt woest tegen een stuk staal in de ravage die de vloedgolf van zijn woning heeft gemaakt. “Kom binnen”, zegt hij cynisch. De ingang is verdwenen. Van de muren staan alleen nog wat bakstenen overeind.

Een buurman met holle, diepliggende ogen komt kijken hoe het bij Mohammed is. “Hij heeft twee dochters en drie zonen verloren in de cycloon”, zegt Mohammed. “Ik ben mijn eigen zoon kwijtgeraakt. Hij werd meegesleurd in de golf. Iedereen heeft familieleden verloren, sommigen alles wat ze hadden.”

De havenstad Kandla, 1.000 kilometer ten zuidwesten van New Delhi in de deelstaat Gujarat, werd op 9 juni getroffen door een cycloon. Windstoten van meer dan 200 kilometer per uur en een metershoge vloedgolf uit de Arabische Zee vernielden vrijwel alles wat zij op hun weg tegenkwamen. Olieopslagtanks werden tientallen meters verplaatst of omvergeblazen; een losgeslagen zeeschip met een lengte van 170 meter werd 15 kilometer landinwaarts gestuwd door de golven. Huizen en hutjes werden meegenomen alsof het lucifersdoosjes waren. Volgens de bewoners van Kandla werden tijdens de storm vijftien- tot twintigduizend mensen meegesleurd in de golven. Hoewel een kleine twee maanden na de cycloon nog dagelijks lijken worden aangetroffen in de modder of langs de kustlijn - zo ver als de Pakistaanse kust - zal van de meeste slachtoffers nooit meer een spoor worden teruggevonden.

Het huisje van Mohammed stond aan de rand van Shirwa, een straatarme sloppenwijk pal aan de haven. Voor de storm werd Shirwa bewoond door enkele tienduizenden arbeiders, mensen die voor een dagloon van enkele dollars werkten in de oneindige zoutpannen van Gujarat. In deze wijk, nu een verwoeste vlakte waar overlevenden dag en nacht in een dikke laag modder tussen het wrakhout ploeteren om hun hutje van hout en golfplaat op te bouwen, werd de ergste schade aangericht.

“Het was een muur van water die op ons afkwam”, vertelt Mohammed. “Als een beest viel hij aan, vier tot vijf meter hoog. Overal hoorde ik geschreeuw en gehuil, ik zag overal mensen doodgaan, kinderen en bejaarden verdrinken. Er zijn nog 2.000 mensen gered omdat ze naar de moskee wisten te komen, waarvan het dak net boven het water uitstak. Met touwen werden ze uit het water getrokken. Hindoes en moslims, samen op een moskee.” Anderen werden gered doordat de golven hen tegen enkele flatgebouwen van drie verdiepingen aandreven.

Hoewel de regering in New Delhi enkele miljoenen guldens heeft uitgetrokken voor de schade in Gujarat, zien de bewoners van Kandla dat vooral de haven profiteert van het geld. Steun voor de overlevenden is er nauwelijks. New Delhi heeft het officiële dodental geschat op ongeveer 1.000. “Dat is een belachelijk aantal”, zegt S. Sharma, voorzitter van de Congrespartij in Kandla. “De regering telt alleen het aantal geregistreerde arbeiders. In de zoutpannen werken duizenden mensen uit alle delen van India die nergens zijn geregistreerd.”

Sharma gaat nog dagelijks met vissers de zee op, op zoek naar lichamen. “Vanochtend heb ik nog 25 lijken gezien, vlak voor de haven”, zegt hij. “Er moeten er nog honderden, duizenden meer zijn. De regering wil alleen niet aan zoveel nabestaanden schadevergoeding uitbetalen.”

De meeste overlevenden zullen het zonder schadevergoeding van de overheid moeten doen. Omdat zo weinig slachtoffers zijn teruggevonden kan vrijwel niemand bewijzen dat hij een familielid is kwijtgeraakt. Bovendien worden de lijken die op de kusten van deze afgelegen streek, Rann of Kutch, aanspoelen, direct verbrand uit angst voor epidemiëen. “De overheid zorgt alleen voor je als je rijk bent”, zegt Mohammed. “Wij kunnen het zelf uitzoeken. De mensen hebben hier niets, en zullen het ook nooit krijgen.”

India wordt regelmatig opgeschrikt door grote natuurrampen - hitte of kou, aardbevingen of overstromingen - maar de samenleving gaat meestal direct na het tellen van de slachtoffers over tot de orde van de dag. “Niemand bekommerde zich om deze mensen toen ze nog leefden. Waarom zou iemand zich om hen bekommeren nu ze dood zijn”, zei een lokale reddingswerker een maand geleden over de slachtoffers van Kandla. Wellicht is het typerend dat het gerenommeerde weekblad Outlook afgelopen maand een pagina's lange opsomming gaf van de economische schade in de haven van Kandla - maar met geen woord repte over de arbeiders die er niet meer zijn.

De onderkant van de bevolking van 970 miljoen is traditiegetrouw het grootste slachtoffer van welke tegenslag dan ook. Zelfs als de centrale overheid de problemen rond de allerarmsten zou willen oplossen, dan stellen de enorme aantallen de regering voor een onmogelijke opgave. Het zijn de mensen die niet kunnen lezen, die geen sanitaire voorzieningen of schoon drinkwater hebben, degenen die als eerste epidemische ziekten oplopen en die hun diensten als arbeider aanbieden voor twee of drie dollar per dag, ook als het betekent dat ze met een temperatuur van 45 graden met hun blote handen zout van de grond moeten schrapen, twaalf uur per dag, zeven dagen in de week.

Typerend is dat een paar weken na de ramp de eerste nieuwe arbeiders naar Kandla trokken om de vacante banen op te vullen, afkomstig uit deelstaten als Kerala en Tamil Nadu in het zuiden en West-Bengalen en Orissa in het oosten.

De bevolking in Kandla had volgens de lokale politicus Sharma voor de cycloon kunnen worden gewaarschuwd. “Bij de meteorologische dienst was twaalf uur van te voren bekend dat de cycloon over Kandla zou gaan. Ik ben niet gewaarschuwd en de bevolking van de sloppenwijken al helemaal niet. In New Delhi hebben ze nu eenmaal politieke zaken aan hun hoofd. Mensenlevens interesseert hen blijkbaar niet.”

Een stinkende rookwalm hangt over het grotendeels verwoeste Kandla. Op sommige plekken worden aangespoelde lijken verbrand, al zijn het niet meer de massacrematies van ongeïdentificeerde lijken van enkele weken geleden. Rottende rijst en andere vergane landbouwproducten worden vlakbij de haven verbrand.

In de sloppenwijk, die zich langzaam ontworstelt aan de dikke modderlaag, zijn na de wekenlange overstroming ziekten als cholera en malaria de belangrijkste tegenstanders geworden. Het drinkwater is nog meer besmet dan voor de cycloon.

Veel bewoners lopen nog steeds in shocktoestand rond tussen de puinhopen van wat eens hun stad was, verdoofd door de klap van de cycloon, het verlies van vele familieleden en het gebrek aan begrip bij hun regering. “Geld om mijn hut weer op te bouwen heb ik niet”, zegt Mohammed, die is gaan zitten op een stukje van de zijmuur van zijn voormalige woning. “Ik loop al weken rond als een dwaas.”

Hij komt dagelijks kijken bij zijn huisje. “Ik slaap op het station of bij de bushalte. Wat moet ik? Ik heb niets anders.”