Het schepje van Fanny Blankers-Koen

Het ziet er nogal ingewikkeld uit wanneer hardlopers een stellage aan het bouwen zijn om sneller te kunnen starten. Zo'n ding met twee blokjes, de een verder naar voren dan de ander, waardoor het ene been bij de start gebogen moet worden en het andere min of meer gestrekt blijft.

Het schijnt een kwestie van millimeters te zijn om eentiende van een seconde sneller te rennen. Heel vroeger stonden de sprinters rechtop wanneer ze wachtten op het startschot. Totdat er één besloot door de knieën te gaan alvorens weg te rennen. Dat bleek te helpen. Nog beter was een kuiltje te maken in de sintelbaan en daarin de punten van de schoenen te planten. Door middel van startholes was de start nog sneller. Je kon een kuiltje maken met de hak van je schoen of misschien wel met je handen in de sintels wroeten. Totdat iemand op het lumineuze idee kwam een schepje mee te nemen. Later het startschepje genoemd. Fanny Blankers-Koen, die snelle dame die later vier gouden olympische medailles zou behalen, had tijdens haar eerste Olympische Spelen al de beschikking over dit gereedschap. Dat was in 1936. Ze was toen nog niet zo snel als ze in 1948 zou zijn. Hoogspringen deed ze in Berlijn beter, getuige haar zesde plaats. Maar toen 'de vliegende huisvrouw' zich eenmaal had bekwaamd in sprinten, kon niemand haar bijhouden, met of zonder startschepje.