Gestolde lava en kikuyu

Ik heb het voorrecht gehad vijfeneenhalf jaar in Nieuw Zeeland te wonen, in de aan weerszijden door baaien omspoelde stad Auckland. Uitgedoofde vulkaankegels markeren het stedelijk landschap, waarin ondanks het groeiend aantal inwoners (sinds enkele jaren meer dan een miljoen) laagbouw domineert. Het is dan ook een enorm uitgestrekte stad. In maart 1992 kochten mijn vrouw en ik een houten bungalow op een terrein van 613 m. In een aangrenzende wijk bevond zich de hoogste vulkaantop, Mount Eden (196 meter), die in de tijd dat wij in Auckland woonden zijn oorspronkelijke Maori-naam 'Maungawhau' terugkreeg. Niet ver van ons huis lag Mount Albert.

Vol enthousiasme stortte ik me op mijn tuin. Eindelijk kon ik mijn lang onderdrukte hoveniershartstochten uitleven op dit stukje grond ver van het vaderland! Mijn section bestond voor het grootste deel uit grasveld, met achterin een door een stenen rand afgezonderd gedeelte dat vol stond met struiken en Nieuw-Zeelandse vlasplanten. Ik nam mij voor de mooiste struiken te behouden en plaats te creëren voor een moestuin en bloemperken. Het saaie gazon mocht ook wel wat inkrimpen. Dus zette ik de bijl in de struiken en danste ik met mijn laarzen op de stugge scheuten van de vlasplant. Bij het ontginningswerk kwam ik er achter dat de aarde vol scoria zat: gestolde lava. Ik dolf lavasteen op in allerlei afmetingen, van grote kiezels tot brokken met een diameter van 25 cm. Waar moest ik al die rommel laten? Mijn rotstuin, achter de garage, was geboren.

Er was nog veel meer te doen. Ik wierp afgunstige blikken op de tuinen van mijn naaste buren waar volwassen citrusbomen stonden en de grond bezaaid lag met rottend ooft. Zelf plantte ik al snel een lemonade (tussen citroen en grapefruit in) en een tangelo (een zoete perssinaasappel). In de buurt van de schutting zou een laurierboompje decoratief staan, tegen de garage kon een passievrucht opklimmen. Op een bouwrijp gemaakt stuk zaaide ik boerenkool in (op het zakje zaad stond borecole). Het werd een overweldigende oogst, mede begunstigd - bedacht ik achteraf - door de voor Auckland uitzonderlijk koude winter, met wel twaalf keer nachtvorst. Ook had ik veel succes met silverbeet, de grootbladige snijbiet waarmee hele generaties Nieuw-Zeelanders zijn groot geworden, en met Indonesische groenten: kangkoeng en laboe siam.

Natuurlijk moest ik ook New Zealand spinach verbouwen, die prachtig frisgroene spinaziesoort met zijn bladen als bedauwde klimop die ik eens in Californië had gegeten. Merkwaardig genoeg was deze groente nergens in winkels te krijgen. Binnen een paar maanden wist ik waarom: in het land van herkomst ontpopte de Nieuw-Zeelandse spinazie zich als een woekerend onkruid dat veel te snel veel te groot en vezelig wordt. Alleen de jonge plantjes waren lekker.

In het gematigde maritieme klimaat van het noordeiland bleken allerlei soorten onkruid uitstekend te gedijen, en het hele jaar door: elk seizoen had z'n eigen onkruid. Het begon me te dagen waarom de vorige bewoners hadden gekozen voor een easy care section en de aarde rond hun struiken met zwarte folie en een laag humus hadden afgedekt. Nieuw Zeeland is een land waar geïmporteerde flora en fauna zich ongebreideld ontwikkelt. De opossums bedreigen door hun belustheid op jonge blaadjes het voortbestaan van de karakteristieke pohutakawa-bomen, allerlei inheemse vegetatie wordt verdrongen door Chinese jasmijn, kamperfoelie, steekbrem en siergember. In de loop van mijn verblijf werden diverse planten verboden die voorheen normaal in tuincentra te krijgen waren. Mijn grootste vijand werd het kikuyu-gras.

Voordat ik wist wat kikuyu was, verwijderde ik telkens braaf die lelijke grassoort die zo welig de grond uit kwam zetten. Het bezat een voorkeur voor groeven en naden in het geasfalteerde trottoir en plantte zich met een wortelstok voort. Soms haalde ik uit mijn grasveld raffia-achtige kikuyu-slingers van wel een meter lang. Het was, hoorde ik van een collega, een uit Australië afkomstig en oorspronkelijk in Kenia thuishorend woestijngras dat ooit was geïmporteerd voor het vee, omdat het het hele jaar zo lekker doorgroeit. Dat merkte ik, ja, mijn moestuin en bloemperken werden voortdurend door dit onderkruipsel beslopen.

Ik koos voor een radicale oplossing: de enige manier om van dit taaie gewas af te komen was door alle gras met gif te doden. Ik kocht dus een aantal flacons Roundup, vermengde dat met water en besproeide daarmee het gazon. Het was de winter van 1994 en Auckland werd geteisterd door aanhoudende droogte. Mensen uit Wellington die op een dag bij ons langskwamen beklaagden ons om de dorre vlakte voor en achter het huis: is het hier zó erg? In het voorjaar (september) heb ik zwoegend en zwetend alle wortels uitgespit, vervolgens bestelde ik een ready made lawn: zoden van een mooie fijne grassoort werden uitgerold. Het zag er prachtig uit. Een Nieuw-Zeelandse collega vertelde me, dat zijn buurman precies hetzelfde had gedaan. “Ook een Nederlander”, voegde hij er veelbetekenend aan toe. Door regelmatige kikuyupatrouilles, waarbij elk achtergebleven worteldeeltje dat begon uit te lopen, onbarmhartig werd uitgestoken, heb ik mijn grasveld in goede staat weten te houden. Ik hoefde nu minder vaak te maaien dan mijn buren en kon mijn energie besteden aan het vervolmaken van de tuin.

Ik ging op de 'native'-toer. Er kwam een Kaka King bij, een kleine boom met geveerde blaadjes die in het voorjaar trossen felrode snavelvormige bloemen draagt. De laatste Kaka Kings, die op de oostkaap van het noordeiland thuishoren, werden in 1982 door de cycloon Bola verwoest, maar botanici hadden zaden gewonnen en nu waren de boompjes overal bij kwekers te koop. Ik plantte een Polynesische vruchtenboom met zilverige bladeren, de feijoa, en verving mijn kwijnende heg van dennenboompjes door een haag van manuka's (Leptospermum), een voor de Maori belangrijke struik met fijne naaldachtige blaadjes en in de lente een overdaad aan bloemen die als corsages in de bladoksels zitten. Een Europees aspect ontbrak evenmin aan mijn tuin, het werd vertegenwoordigd door eenjarige bloemen en een in een grote pot geplante olijfboom die de saaiheid wegnam van het beton voor de garage.

Vorig jaar was de tuin eindelijk naar mijn zin, ik had al olijven, citrus- en passievruchten geoogst, en zette onverdroten mijn strijd tegen het onkruid voort. Toen werd het duidelijk dat we naar Europa zouden terugkeren. Het huis werd verkocht. In mijn laatste week in Auckland reed ik er nog één keer langs, in een courtesy car van het motel. Ik zag de jonge vrouw die huis en erf had gekocht vol toewijding in het voorste perk neerknielen. Gelukkig, dacht ik, ze verwaarloost mijn tuin niet! Maar desondanks... een deeltje van mijn ziel wroet nog steeds in vruchtbare Aucklandse aarde.