Fortuin lacht indianen Canada toe

Tot voor kort trokken de indianen aan het korte eind in de strijd om de eigendomsrechten van land in Canada. Een uitspraak van het Hoogerechtshof over de Gitxsan bevolking heeft daarin verandering gebracht.

HAZELTON (BRITISH COLUMBIA), 1 AUG. Na een kwartier lopen op zijn beboste landgoed in westelijk Canada stopt Don Ryan, een indiaan van de Gitxsan bevolking, bij een lang hek van dun ijzerdraad. Het hek scheidt zijn omvangrijke, particuliere terrein van een indianenreservaat voor de Gitxsan, een beperkt gebied dat ruim honderd jaar geleden door de Canadese autoriteiten opzij is gezet voor het indianenvolk. Ryan moet er een beetje om lachen.

“Het belang van ons volk houdt bij dit hek op”, zegt hij schertsend. Evenals bij honderden andere reservaten in heel Canada het geval was, legt Ryan uit, werden de Gitxsan vorige eeuw op een vierkante mijl overheidsgrond gehuisvest, terwijl de Europeanen zich de rest van het land toeëigenden. “Wij hebben ons daar altijd tegen verzet”, vervolgt hij in ernst. “Onze belangen gaan dit hek wel degelijk te buiten.”

Ryan weet waar hij het over heeft. Al jaren vertegenwoordigt hij zijn volk tegenover de Canadese autoriteiten bij onderhandelingen rond eigendom van land. De Gitxsan maken aanspraak op wat zij als hun traditionele grondgebied beschouwen - 58.000 vierkante kilometer bebost berglandschap in het noordwesten van de Canadese deelstaat British Columbia, een gebied anderhalf keer zo groot als Nederland, rijk aan grondstoffen, hout en vis. Ryan: “De periode dat Europeanen hier zijn is maar heel kort in vergelijking met onze aanwezigheid hier.”

De claim van de Gitxsan is een van honderden indiaans-blanke conflicten om eigendomsrecht van land in Noord-Amerika. Al sinds de komst van de Europeanen vormt de vraag van wie het land nu eigenlijk is, een van de meest slepende en explosieve geschilpunten met inheemse bevolkingsgroepen. De indianen trekken van oudsher meestal aan het kortste eind.

Juist daarin heeft de zaak van de Gitxsan verandering gebracht. Hun jarenlange juridische strijd leidde onlangs tot een baanbrekende principe-uitspraak van het Canadese Hooggerechtshof in Ottawa, over het beginsel van indiaanse aanspraak op land. De beslissing in de zogeheten Delgamuukw-zaak, genoemd naar een opperhoofd dat namens de Gitxsan in 1984 een rechtszaak begon, geldt als een morele overwinning voor aboriginals in en buiten Canada.

De uitspraak schrijft een fundamentele koerswijziging voor in de 'blanke' aanpak van landgeschillen met inheemse groepen: indiaanse aanspraken op stukken Canadees grondgebied zijn, in tegenstelling tot het officiële uitgangspunt, niet ongedaan gemaakt bij de bezetting van het land door Europeanen. Sterker nog, de Canadese autoriteiten kunnen die aanspraken niet eenzijdig teniet doen. Tot dusverre hebben ze onterecht aangenomen dat bij de vorming van reservaten alle andere aanspraken kwamen te vervallen.

Het besluit heeft vergaande consequenties, vooral voor indianen die hun gebieden nooit via verdragen met Europeanen hebben afgestaan in ruil voor geld of andere gunsten. Voor het eerst is van blanke zijde officieel erkend dat zij terecht nog aanspraak maken op hun land. Als ze hun claims kunnen bewijzen, moeten de Canadese autoriteiten toestemming vragen voor het gebruik van hun terrein, bijvoorbeeld voor de winning van grondstoffen. De indianen zouden bovendien moeten meedelen in de opbrengsten.

“Dit is heel belangrijk voor ons”, zegt Ryan, die “bijna doodviel” toen hij de uitspraak vernam. “Het Hooggerechtshof heeft de positie van indianenvolken overal versterkt. We kunnen niet meer zomaar onder de voet worden gelopen.”

De vooruitstrevende uitspraak is echter ook omstreden. In British Columbia, waar de meeste indianen nooit verdragen hebben gesloten met blanken, wordt op bijna elke vierkante meter aanspraak gemaakt door een van ongeveer tweehonderd inheemse groepen. Zelfs het land waarop de miljoenenstad Vancouver is gebouwd. Betekent de uitspraak dat bouw-, kap- en mijnvergunningen in de laatste honderd jaar onterecht zijn uitgegeven, door een overheid die in de waan was over het grondgebied te beschikken? En hebben indianenvolken die hun historische aanwezigheid weten te bewijzen, nu met terugwerkende kracht recht op compensatie voor het gebruik van hun land? Niemand weet het.

“De gevolgen zijn ernstig, maar ook onduidelijk”, zegt Sandy Carpenter, advocaat van een aantal exploratie- en houthakbedrijven. “Weliswaar is het moeilijk voor te stellen dat alle ontwikkelingen van de afgelopen 125 jaar moeten worden teruggedraaid maar iedereen die van het grondgebied gebruik maakt, kan wel degelijk te maken krijgen met indiaanse claims voor schadevergoeding.”

Bovendien heeft het besluit een verlammende werking op verdere economische ontwikkeling. Onduidelijkheid over de geldigheid van overheidsvergunningen of het vooruitzicht op miljoenenclaims verjaagt investeerders, zegt Ken Sumanik van het Mijngenootschap van British Columbia. “Het klinkt raar, maar in landen als Chili, Argentinië en Mexico loop je nu minder risico dan hier.”

Dat werd vorige maand bevestigd door een aantal gerechtelijk acties dat uit de Delgamuukw-uitspraak is voortgevloeid. De Kitkatla-bevolking won als eerste een kort geding om een houthakkerij stil te leggen die actief is in hun traditaionele gebied. De Klahoose-groep is uit op een gerechtelijk bevel dat in zijn gebied geen hakvergunningen meer worden uitgegeven zonder toestemming. Ten minste vijf soortgelijke zaken zijn in behandeling.

Zo had het Hooggerechtshof het zich niet voorgesteld. In een poging Europese en indiaanse belangen eindelijk te verzoenen, raadde het Hof verdere rechtszaken juist af. Het riep beide zijden op “in goed vertrouwen” met elkaar te onderhandelen om tot vriendschappelijke schikkingen te komen.

De regering van British Columbia heeft die oproep noodgedwongen ter harte genomen. In de hoop een overvloed aan rechtszaken af te wenden, sloot de deelstaat deze maand een eerste modern landverdrag met indianen. De Nisga'a bevolking krijgt de beschikking over bijna tweeduizend vierkante kilometer land, 200 miljoen dollar en een hoge mate van zelfbestuur. Volgens Glen Clark, premier van British Columbia, toont het principe-akkoord aan dat “gerechtigheid voor indianen kan samengaan met de duidelijkheid die onze deelstaat nodig heeft om op te bloeien”. Critici vinden dat de Nisga'a, een groep van nog geen zesduizend mensen, veel te veel krijgen.

Lang niet alle indianen zijn echter bereid het voorbeeld van de Nisga'a te volgen. Als het op onderhandelingen aankomt, is Don Ryan niet onder de indruk van wat British Columbia te bieden heeft. “Ze willen dat je je aanspraak op het land afstaat in ruil voor concreet eigendom van vijf procent”, zegt hij lachend. “En dat doen we natuurlijk niet, gezien wat het Hof over ons eigendomsrecht heeft gezegd. Ons gebied is rijk aan grondstoffen; het is miljarden dollars waard. Waarom zouden we dat opgeven voor kralen en spiegeltjes?”

Wat de Gitxsan wel willen is volwaardige deelname aan de exploitatie van hun hele grondgebied. Ryan heeft alweer een nieuw discussiedocument klaarliggen voor de Canadese autoriteiten, aangepast aan zijn versterkte onderhandelingspositie. “De indianenoorlogen duren nog altijd voort”, zegt hij strijdlustig, refererend aan het gewelddadige verleden van Noord-Amerika. “Al voeren we ze nu in de rechtszaal.”