FLUITSCHIP

In zijn artikel van 18 juli over de geschiedenis van het fluitschip citeert de heer Wegener Sleeswyk mededelingen van Simon de Vries uit 1687. Simon de Vries was echter niet meer dan een ijverig plagiator van blz. 26-27 in 'Arca Noae' (Leiden-Rotterdam, Officina Hackiana, 1666) van de Leidse historicus Georgius Hornius. In deze universele wereldgeschiedenis geschreven in het Latijn, is de passage over Petrus Janssen Mennonista een merkwaardige uitweiding, waarmee de auteur de vorm en zeewaardigheid van de Arke Noachs wil bewijzen. Kennelijk was het niet meer algemeen bekend wie in 1604 als eerste de proporties van de bijbelse ark in de scheepsbouw toepaste. 'Ik voor mij', schrijft Hornius, 'beschouw het als een beloning voor mijn moeite dat het niet in vergetelheid raakt'. Vervolgens citeert hij de schoonzoon van Pieter Janssen, de scheepsbouwer Pieter Reiniersz, die hem desgevraagd op 6 maart 1647 hierover een brief heeft geschreven.

De rol van het fluitschip was overigens na het bestand niet ten einde. Tussen 1722 en 1780, de betrekkelijk rustige periode tussen de Noordse Oorlog en de Vierde Engelse Oorlog, voeren per jaar gemiddeld 800 fluiten en kofschepen uit de Oostzee op Amsterdam (NRC Handelsblad, 9 april 1987). Over de bouw van fluitschepen in de 18de eeuw zijn exacte opgaves te vinden in notariële protocollen. Een voorbeeld: Simon Spiers in Zaandam verklaart het fluitschip 'Diemen' in 1734 gebouwd te hebben, 130 voet lang, 30,5 voet wijd, 13,75 voet hol in het ruim, het verdek hoog 6 voet (RAA Haarlem, oud-notarieel 5905, acte 119). De opdrachtgever, grootschipper Sible Eukesz uit Hindeloopen, was overigens naar mij uit verder onderzoek is gebleken, evenals Pieter Janssen doopsgezind.