Dopavond

“Dat toompje moet er volgens mij ook af”, giechelde de pianiste terwijl de dichter bekende dat hij nog nooit tuinbonen had gedopt. Zij ook niet. We zaten met ons drieën aan een marmeren keukentafel; in ruil voor logies aan zee zou ik koken voor mijn Zuid-Limburgse vrienden. Gegrilde kabeljauw met mosterd/dillesaus leek toepasselijk, met bradertjes oftewel brôadhaantjes (gebakken krieltjes) en verse tuinbonen. Maar het fenomeen 'dopavond' was hun vreemd. In Vlaanderen en omstreken een ander woord voor woensdagavond, naast het weekeinde de enige dag waarop verloofden elkaar konden zien - weliswaar onder toezicht van pa of ma.

Je kent elkaar een kwart eeuw en ontdekt dat je vrienden nog nooit tuinbonen hebben gedopt. Om mijn ontsteltenis te maskeren vertelde ik over een aanbiddelijk stadsnufje dat, toen ik bramen voor haar plukte, in ernst vroeg: Hoe heten die dingen ook alweer? Curieuzer nog is de anekdote die een andere vriend vertelde: na tien jaar huwelijk bekende zijn echtgenote opeens bloemkool afschuwelijk te vinden. Bloemkool bleek een uitgestelde explosie, een verzwegen tijdbom.

Na het eten wandelden de dichter, de pianiste en ik over de Zandvoortse boulevard. Een stijve bries. Motregen. Ik wilde koste wat het kost de zon in zee zien ondergaan. We liepen terug via de van protserige bolides en dito dames vergeven Haltestraat. Troosteloze eethuisjes, lawaaiige cafés en kinderlijk mondaine modewinkels. De aanblik was zo ontluisterend dat ik er nog moroser van werd dan ik al was. Ter opmontering fluisterde de dichter in mijn linkeroor: “Nu weet je hoe wansmaak er uit ziet”, in mijn rechteroor lispelde de pianiste: “Allez, kop op”. Ik reageerde niet, was verstrikt geraakt in een associatieve maalstroom: tuinbonen (Vicia faba) worden op de Veluwe 'platte peters' genoemd en ik ben een rasechte Molleboon, een geroosterde paardenboon, want geboren in Groningen-Stad. 'Tuinbonen hebben van alle boonensoorten de meeste voedingswaarde' las ik ooit in het elke plattelander bekende Turkenburg's Handboekje, 'ze moeten tijdig geplukt worden, want als de nagels en neusjes zwart worden zijn de boonen niet meer geschikt voor de inmaak.'

Tijdens de koffie aan de marmeren tafel begon ik opeens te leuteren over verkering hebben, 'de schadden dreuge', zoals men het in de Achterhoek noemde. Vroeger hing een meisje op kerstavond aan de deur van een vrijer een schadde (veen- of heidezode). De jongen op wie het meisje een oogje had werd verblijd met een droge schadde. 'De schadden nat hebben' hield in dat het uit was. Schadden dienden in vervlogen jaren net als turf en hakhout als brandstof; een droge schadde aan de deur betekende dat het meisje met die jongen eigen haard en huis wilde opbouwen. Bij het vertellen stroomden de tranen over mijn wangen. Onlangs hing er namelijk onverwachts een zeiknatte schadde aan mijn huisdeur, tevens zat er een nieuw slot op. De volgende ochtend staarde ik urenlang met zere ogen over zee, smachtend naar een regenboog.