De fluit misvormd

Fluiten kenmerken zich door hun rompvorm. Maar op afbeeldingen zijn de schepen niet altijd even makkelijk herkenbaar. Zeker niet als ze geschilderd zijn door een extreem bijziende kunstenaar, zoals de Boheem Wenceslaus Hollar.

HOE WETEN WE eigenlijk dat de schepen die we op oude afbeeldingen tegenkomen en die we 'fluiten' noemen, dat ook werkelijk waren? Mogelijkheden tot verwarring zijn er zeker. Zoals Hagedorn al opmerkte, waren fluiten verwant aan 'bootschepen' of 'boten' (hier een specifiek scheepstype) - we zullen zien dat ze daar inderdaad veel op leken, evenals op sommige 'galjoten' - en er waren ook voorlopers van de fluit, die misschien al 'gaings' werden genoemd. In documenten uit de 17de en 18de eeuw is het bovendien niet ongewoon dat naar één en het zelfde schip onder verschillende type-benamingen wordt verwezen. Een vaststaand typologisch schema bestond toen dus niet, en bestaat ook nu niet.

Er zijn wel enige scheepsafbeeldingen uit het midden van de 17de eeuw en later, met bijschriften die duidelijk maken dat het om fluiten ging. Maar hierbij is het wel oppassen. De Boheemse kunstenaar Wenceslaus Hollar (1607-1677) bezocht ons land in het jaar 1647, en graveerde een serie prenten van Nederlandse schepen. Waarschijnlijk wel de meest bekende prent daar uit is hierbij gereproduceerd. Enkele van de afgebeelde schepen vertonen veel gelijkenis met de fluit die in het al eerder besproken gebrandschilderd raam van 1625 in de Grote kerk te Edam is te zien (W&O 11 juli), ook al lijken deze schepen wel erg breed voor fluiten en drijven ze wat te hoog op het water. Maar in andere prenten van Hollar zien de schepen er meestal nog misvormder uit. Dit laatste is wel verklaarbaar: Hollar leed aan extreme bijziendheid, voor een grafisch kunstenaar toch wel een merkwaardige handicap. De biograaf John Aubrey (1626-1697) schreef het volgende over hem: “He was very short-sighted, and did worke so curiously that the curiosity of his Worke is not to be judged without a magnifying glasse. When he tooke his Landskapes, he, then, had a glasse to helpe his sight”. Grote lenzen uit die tijd gaven inderdaad meestal sterke vervorming van het beeld. Wat betreft de benaming van fluitschepen volgens Hollar: Crone merkte in 1939 al op, en van Beylen bevestigde het in 1970, dat deze geen geloof verdient.

Het bijschrift zegt dat het 'Naves Mercatoriae Hollandicae vulgo VLIETEN' waren; de enige vermelding in de literatuur van de naam 'vlieten' voor deze Hollandse koopvaarders. Vermoedelijk communiceerde Hollar tijdens zijn oponthoud in ons land in het Frans met de inwoners, waardoor misschien het misverstand ontstond dat 'fluiten', als Frans woord uitgesproken, alternatief als 'vlieten' kon worden geschreven; mogelijk speelde daarbij ook een rol dat in Frankrijk fluiten wel 'flibots' (vlieboten) werden genoemd. De gravure van Jacob Savery, in het voorgaande vermeld, ook van 1647, is een veel betrouwbaarder weergave van een fluit, en dat geldt ook voor de bekende gravure met onderschrift van Reinier Nooms genaamd Zeeman (c 1623-1668) die is gereproduceerd in bijgaande figuur. De voorstelling, die een levendig beeld van fluitschepen onder zeil geeft, dateert van omstreeks 1652. Het onderschrift noemt twee veel voorkomende koopvaarders uit die tijd. De 'Ooster-Vaerder' voer door de Sont naar de Oostzee om graan en stukgoederen te halen, een 'Noorts-Vaerder' naar Noorwegen om hout. Niet afgebeeld zijn hier de 'Fransvaarder' en de 'Spaansvaarder' die de Atlantische kusten van Frankrijk en Spanje als bestemming hadden, en de 'Straatsvaarder', die via de Straat van Gibraltar op de landen rond de Middellandse zee voer. Deze benaming in Nooms' onderschrift was er dus een naar het vaargebied, hetgeen niet hetzelfde is als naar bouwwijze. Wél waren omstreeks 1650 deze verschillende soorten 'vaarders' bijna altijd fluiten, maar soms waren het ook pinassen, vooral bij de 'Straatsvaart'.

Witsen licht in zijn boek (1671) met schetsjes toe wat het bijzondere van de vorm van de romp van de fluit was. In moderne publicaties wordt vaak gesteld dat deze karakteristieke vorm met naar binnen vallende scheepsboorden het gevolg was van een poging de tol te ontduiken die betaald moest worden bij het passeren van de Sont, de zeestraat tussen het Deense eiland Sjaelland en het Scandinavische schiereiland die toegang geeft tot de Oostzee. In werkelijkheid is het beeld genuanceerder. Deze karakteristieke rompvorm was in de eerste helft van de zeventiende eeuw inderdaad van voordeel bij de scheepsmeting die vooraf ging aan het betalen van de Sonttol. De hoogte hiervan hing af van de gemeten scheepsinhoud; een van de maten waar deze inhoud mee bepaald werd, was de breedte van het dek in het midden van het schip, en die was klein als gevolg van deze vormgeving. Het lijkt echter onjuist dat voordeel bij de meting als bepalend voor deze bouwwijze te zien, want die werd ook toegepast bij fluiten die niet door de Sont voeren, en bij fluitschepen die dat wel deden, in de periode na 1669, toen de methode van scheepsmeting gewijzigd was, zodat dit voordeel niet langer bestond. Wel is het waar, dat toen de oorspronkelijke meetmethode nog van kracht was voor het bepalen van de Sonttol, deze karakteristieke vorm bij sommige fluiten zeer werd overdreven. Witsen illustreert dit met een schets die hierbij is gereproduceerd; hoofdzaak daarbij zijn de twee varianten van de drie dwarsdoorsneden in de tekening. De streepjeslijnen geven de vorm van een 'Noorts-vaerder' fluit zoals die, zonder bijoogmerk, 'na den eisch werd gemaeckt', de getrokken lijnen van een schip dat als ontduiker van de Sonttol, 'mismaeckt' was gebouwd. We merken op dat er eigenlijk niet meer dan een gradueel verschil te zien is tussen de vormen van deze twee schepen; de invloed van de Sonttol op de vorm van de fluit was maar bijkomstig, niet fundamenteel.

    • André Wegener Sleeswyk