Dag zomer

Terug van vakantie lijkt ineens alles anders. Na Wallage en Van Mierlo is nu ook Bolkestein weg als politiek leider. Op het ministerie van Justitie, dat kinderporno moet bestrijden, blijkt in kinderporno gehandeld te zijn. De minister van Landbouw is van Buitenlandse Zaken geworden en zijn opvolger, de burgemeester van Leeuwarden, heeft geen notie van wat er in zijn nieuwe baan van hem wordt verwacht. “Mijnheer Apotheker, weet u hoeveel varkens er zijn in Nederland”, vroeg een televisie-interviewer hem. “Nee”, antwoordde de beoogde minister, “dat weet ik niet en het interesseert me ook niet.” Heb ik het gedroomd, de opwinding van afgelopen jaar over de sanering van de varkensstapel? Heeft D66, de partij van Apotheker, niet bijna het kabinet ten val gebracht omdat het aantal varkens niet snel genoeg omlaaggaat? En zijn er geen acties gevoerd om het lot van die arme beesten onder de aandacht van de politiek te brengen?

Alles is anders geworden. Zelfs de zomer is afgeschaft, al was het maar omdat de Tour de France, al bijna zo oud als de eeuw, de Tour niet meer is. En ik begon er juist aan te wennen. Meegesleept door de opwinding van het WK-voetbal had ik me voorgenomen dit jaar nu ook eens door te dringen in de geheimen van de wielersport en te doorgronden waarom veel mensen het zo fascinerend vinden om dagelijks urenlang naar die zwoegende mannenlijven op de fiets te staren. Veel spanning zit er meestal niet in. Niet voor niets hoor ik liefhebbers al jarenlang na slechts een paar etappes met grote stelligheid beweren dat 'de Tour gedaan is', wat wil zeggen dat de winnaar al vaststaat. Vrijwel altijd kregen ze gelijk.

Van oudsher heb ik moeite gehad met de Tour de France die, voordat de televisie het overnam, met veel onbegrijpelijk geschreeuw door de radio werd uitgezonden. Als kind snapte ik er nog minder van dan Apotheker van varkens. Het zieligst vond ik altijd de renner die aan het eind van de dag te horen kreeg dat hij een gele trui aan moest, wat me in de hitte die zomers toen nog eigen was een gruwelijke straf leek. Kilometers keihard fietsen onder een brandende zon in een warme, kriebelende trui, berg op, berg af, etappe na etappe.

De Tour, zoveel was me wel duidelijk, vergde een bovenmenselijke inspanning van de renners. Maar wat ik pas deze zomer voor het eerst besefte, is dat het precies dat bovenmenselijke is, wat de liefhebbers aan de buis kluistert. Er schijnt in de geschiedenis geen arbeidsinspanning te zijn voorgekomen, inclusief de slavenarbeid van de piramidebouwers, die te vergelijken valt met de krachttoeren die van wielrenners worden verwacht. Etappes van meer dan tweehonderd kilometer bij dertig graden in de schaduw, moordende bergritten met een enorm stijgingspercentage, tijdritten over 187 kilometer met een gemiddelde van 47 kilometer per uur zijn meer dan een goed getrainde topsporter aan kan. Komt dat zien! Iedereen, inclusief het publiek, sportbonden, sponsors, televisiestations, overheden en justitie, weet dat zulke prestaties alleen geleverd kunnen worden met behulp van een uitgekiende medische begeleiding die in de volksmond doping heet. Sommige mensen vinden het niet spannend om te kijken naar topsport - om het even of het wielrennen, voetbal, atletiek of zwemmen is - als ze weten dat niet het talent van de sporters bepalend is voor hun prestatie, maar de geavanceerdheid van hun dope. Anderen, de meesten denk ik, maken daar geen punt van, omdat ze beseffen dat er zonder medicatie geen topsport mogelijk is. Het is een wereld van wonderen, van magie, van het fysiek onbestaanbare.

De ogen dus maar sluiten voor de methoden van de wonderdokters achter de wonderdoeners? Dopingaffaires horen nu eenmaal bij de Tour en zijn ook altijd bekend geweest, schrijft Le Nouvel Observateur: de Tour is de karavaan der hypocrieten. De dood van Tom Simpson op 13 juli 1967 op de Mont Ventoux, als gevolg van amfetamine wordt gememoreerd, evenals die van minder bekende renners die het leven lieten na behandeling met het 'wondermiddel' EPO. Renners zwijgen gedurende hun wielercarrière als het graf, maar tijdens hun (vaak nogal korte) pensioen laten ze er vaak geen misverstand over bestaan dat hun prestaties zonder opwekkende middelen onmogelijk geweest waren. Vijfvoudig Tourwinnaar Anquetil verklaart dat niemand zonder doping kan en Bernard Thevenet, die tweemaal de Tour won, geeft toe Cortison te hebben gebruikt.

Volgens de Nouvel Observateur sterft de Tour de France dan ook niet aan een overmaat aan bedrog, maar door een toename van de openheid, want het wonder verdraagt geen glasnost. Moet men dan maar de hypocrisie in stand laten om de Tour te redden? Het optreden van de Franse justitie lijkt me ook een paradigma van hypocrisie: kijk ons eens stoer doen, zelfs onze nationale glorie offeren we aan de strijd tegen de drugs. Vooralsnog voel ik het meest voor het minst hypocriete standpunt, zoals deze week geformuleerd in Die Zeit. Wielrenner is een beroep en, zo vraagt het Duitse weekblad zich af, moet je iemand bij de uitoefening van zijn beroep niet het recht geven zelf over zijn lichaam te beschikken? 'Is er ooit een schrijver aangepakt omdat hij de druk van het schrijven alleen nog onder invloed van alcohol aankon, een popster die zijn tournee alleen dankzij drugs overleeft, of een manager die cocaïne neemt?'

Als de consequentie van het Franse justitie-optreden is dat de Tour wordt afgeschaft, is dat een ramp. De opgeklopte, willekeurig aandoende strijd tegen doping kan gemakkelijk ontaarden in klopjachten tegen elk medicijn en elk opwekkend middel: dag koffie, tabak en alcohol, dag zonnebank, dag zon, dag zomer.