'Daar komt de cavalerie'; AMERIKAANSE ARCHEOLOGEN BIEDEN EUROPESE COLLEGA'S HELPENDE HAND

De Verenigde Staten betalen geen grootschalige archeologische opgravingen meer. Klassiek archeoloog Stephen Dyson wil nu met Europeanen het veld in.

KLASSIEK archeologen vind je overal. Vanzelfsprekend in Griekenland en Italië, maar ook op plekken waar je ze niet verwacht. Brazilië bijvoorbeeld, waar ze sinds 1964 de cultuur van de oude Grieken en Romeinen bestuderen - nadat enkele Italiaanse musea en archeologische diensten aan de Universiteit van Sao Paolo een schenking hadden gedaan. De meeste klassiek archeologen komen uit de Verenigde Staten. Eigenlijk net zo verwonderlijk, vindt Stephen Dyson, president van het meer dan tienduizend leden tellende Archaeological Institute of America (AIA). “Voor zover we weten zijn er in de Verenigde Staten vroeger geen Grieken en Romeinen geweest, die een dergelijke grote belangstelling voor de klassieke oudheid rechtvaardigen.” Verder hadden en hebben de meeste Amerikanen, afgezien van een minderheid van Italiaanse en Griekse afkomst, geen wortels in de antieke wereld. Er moet dus een andere verklaring zijn.

“Het vak is in Amerika gebouwd op een historische ideologie”, hield Dyson onlangs in Amsterdam het XVth International Congres of Classical Archaeology voor. De Amerikaan was uitgenodigd om zijn licht te laten schijnen over het hoofdthema 'klassieke archeologie op weg naar het derde millennium'. “Het is mijn taak als president van het AIA om de toekomst van ons vak te waarborgen. Daarvoor is het van belang om naar het verleden te kijken. Het vermogen of onvermogen van een beroepsgroep om te reageren op veranderingen en crisissituaties hangt voor een groot deel af van wel of niet onderkennen hoe instituten in de loop der tijd zijn gegroeid.”

DRIE FUNDAMENTEN

Het viel Dyson op dat de geschiedenis van het vak nog vrijwel nergens in zijn sociale, politieke en culturele context was onderzocht. Dat gold ook voor die van de Amerikaanse archeologie. En daarom heeft Dyson er zelf maar een begin mee gemaakt. Hij is tot de conclusie gekomen dat de Amerikaanse klassieke archeologie op drie fundamenten rust. De nieuwe Amerikaanse republiek identificeerde zich eind achttiende eeuw sterk met de Atheense democratie en de Romeinse republiek. Dat had zijn weerslag op de architectuur: in Amerika, met name aan de oostkust, tref je ook nu nog overal neo-classicistische gebouwen aan.

“Niet zo gek dat de eerste Amerikaanse klassiek archeologen zich vooral met architectuur bezighielden”, zegt Dyson. Tot slot was er het ongebreidelde geloof in de stichtende mogelijkheden van onderwijs, waar zeer veel aandacht aan de klassieke oudheid werd besteed. De in hoog tempo opgerichte scholen, colleges en universiteiten brachten zo een politieke elite voort die zijn Cicero en Demosthenes kende. “De Verenigde Staten tellen nu ongeveer zeshonderd universiteiten waar je klassieke talen en archeologie kunt studeren.”

Een en ander mag op het conto geschreven worden van één van de founding fathers, Thomas Jefferson (1743-1826). Hij wordt beschouwd als de eersteAmerikaanse archeoloog die de spade hanteerde. Hij dankt die eer aan een nauwgezet verslag in zijn Notes on Virginia van wetenschappelijk verantwoord uitgevoerde opgravingen van indiaanse grafheuvels. Maar Jeffersons interesse ging het meest uit naar de klassieke archeologie. Zijn verblijf als diplomaat in Frankrijk maakte het hem mogelijk contacten te leggen met de geleerden van die tijd. En hoewel hij alleen het Maison Carré in Nîmes met eigen ogen had mogen aanschouwen, zette hij zijn kennis van de klassieke archeologie in om een architectuur voor de nieuwe republiek te creëren. Een architectuur die met haar klassieke vormen de oude democratische en republikeinse waarden van Athene en Rome met Amerika moest verbinden.

Dyson noemt nog een man die zijn stempel op de Amerikaanse archeologie heeft gedrukt: Charles Eliot Norton (1827-1908), schrijver, redacteur van de North-American Review, maar vooral een amateur-geleerde in de traditie van Jefferson. Voor deze professor kunstgeschiedenis aan Harvard bestonden slechts twee ijkpunten: klassiek Athene en Dante's Florence. En dat gaf hij tot aan zijn emiritaat in 1897 zijn studenten mee - studenten die tot de Amerikaanse elite behoorden, studenten die later, toen ze carrière hadden gemaakt, de instellingen en instituten steunden die hun leermeester hielp op te richten.

DUIDELIJKE DOELEN

Want Norton was behalve een idealist ook een echte organisator. Hij was een van de oprichters van het AIA en de drijvende kracht achter de stichting van de American School of Classical Studies in Athene. Hij had daarbij duidelijke doelen voor ogen. De Amerikanen moesten in staat zijn om zelf opgravingen in Europa te gaan doen en zo met name de Duitsers op wetenschappelijk gebied voorbij streven. Hij achtte het ook passend bij een democratische samenleving dat de Amerikaanse klassieke archeologie een stevige en nuttige basis had. De bevolking moest dus goed opgeleid en voorgelicht worden. Vandaar dat hij zich bemoeide met de oprichting van musea als het Museum of Fine Arts in Boston en het Metropolitan Museum of Art in New York. Die hadden niet het Louvre en het British Museum als voorbeeld, maar het educatief verantwoorde Victoria and Albert.

Het is ook aan Norton te danken dat de over verschillende staten en landen verspreide afdelingen van het AIA tot op de dag van vandaag met amateurs samenwerken, lezingcycli organiseren en cursussen op zomerscholen geven. Dyson zelf, die behalve president van het AIA ook hoogleraar is aan de University of Buffalo, geeft deze zomer cursussen op de Classical School of the American Academy in Rome. Maar, zegt Dyson, Norton mag de idealen van de Atheense democratie gepredikt hebben, al snel kwamen de grote Amerikaanse instituten en opgravingen in handen van een elite, die om heel andere redenen in de oudheid - met name het oude Rome - waren geïnteresseerd. Het was een elite met veel geld, die stations in de stijl van de Thermen van Caracalla liet bouwen om te laten zien dat super power Amerika zich kon meten met de vroegere grootmacht Rome.

De wereld van Ford en Standard Oil deed zijn intrede in de Amerikaanse archeologie. En daarmee begonnen de big-dig-opgravingen. Alle grote elite-universiteiten (Princeton, Harvard, Cornell, Penn, New York, Yale en Chicago) ontwikkelden vanaf de jaren twintig hun eigen mega-opgraving. De opgravingen van de Agora in Athene zijn hiervan het schoolvoorbeeld. Het project van Princeton University liep meer dan veertig jaar (1931-1961, 1968-1975) en was sterk hiërarchisch georganiseerd. Archeologen vormden met hun verschillende specialismen onderdeel van een bureaucratische machine. Zomers werkten ze op de opgravingen, 's winters schreven ze hun artikelen voor het American Journal of Archaeology en gaven ze les op hun universiteiten. Aldoende gaven ze zo de big-dig-ideologie door aan een nieuwe lichting studenten. Dyson (52, middle class, afgestudeerd aan Yale en Oxford) maakte in de jaren zestig nog net een staartje mee.

De elite, die dacht dat de grootschalige opgravingsoperaties tot in lengten van dagen zouden doorgaan, maakte een denkfout. Amerika, zo meenden ze, zou altijd rijk blijven en de landen waar ze groeven arm, dankbaar en gastvrij. Maar het liep de afgelopen twintig, vijfentwintig jaar anders, vertelt Dyson. Amerika bleef en is nog steeds rijk, alleen gaat het geld tegenwoordig naar andere filantropische doelen. “Bill Gates heeft voor zover ik weet nog geen geld in de Amerikaanse archeologie gestoken”, zegt hij. Terwijl de instituten minder geld kregen, stegen de kosten van de opgravingen in Italië, Griekenland en Turkije. “We mogen er nog steeds graven, maar ze verwachten dan wel kostbare site development zoals de gerestaureerde façade van het gymnasium in Sardis.”

MEEVERANDERD

De klassiek archeologen, volgens Dyson van nature conservatief, zijn meeveranderd. Waar vroeger de elite de elite van vroeger onderzocht, zijn nu de gewone man en vrouw onderwerp van studie. Waar vroeger gekeken werd welk stempel Rome op onderworpen volken drukte, is nu meer belangstelling voor hoe onderworpen volkeren weliswaar door Rome werden gecontroleerd, maar wel hun eigen cultuur behielden. Voor dergelijk onderzoek zijn geen grote opgravingen nodig, veldverkenningen zoals Dyson die de laatste jaren op Sardinië uitvoert, volstaan. Maar om de belangstelling voor het vak in Amerika levend te houden, is ook een beetje Indiana Jones nodig, zegt Dyson. Archeologen moeten zo nu en dan ook kunnen graven.

Om te voorkomen dat de Amerikanen in Europa het jongetje worden dat alleen door het raam mag kijken hoe hun Europese collega's druk in de weer zijn, doet Dyson die Europese collega's een aanbod. De Europese archeologen houden zich in EU-verband steeds meer bezig met het beheer van het cultureel erfgoed en noodopgravingen. “Ze komen nauwelijks toe aan lange termijn planning en fundamenteel onderzoek in het veld.” Of zoals de Amsterdamse hoogleraar A. Heidinga een keer verzuchtte: 'Straks zijn alle archeologen wel aan het werk, maar is er aan de universiteit niemand meer om na te denken.' Op dat terrein, zegt Dyson, kunnen Amerikaanse archeologen een handje helpen. “Ze vormen een grote pool van goed opgeleide en flexibele veldarcheologen die, als de nood het hoogst is, te hulp geroepen kunnen worden.” Dyson hoopt dat zijn Europese collega's, opgegroeid met films van John Wayne, zullen zeggen: 'Ha, gelukkig, hier komt de cavalerie.'

    • Theo Toebosch