CDA vraagt overleg over zaak-Bouterse; Desnoods vertrouwelijk

DEN HAAG, 1 AUG. De Tweede-Kamerfractie van het CDA gaat de nieuwe ministers Van Aartsen (Buitenlandse Zaken) en Korthals (Justitie) zo spoedig mogelijk na hun aantreden, zo nodig in een vertrouwelijk overleg, vragen wat hun precieze standpunt is inzake de problemen rond de aanhouding van de Surinaamse oud-legerleider Bouterse.

Het CDA wil weten of de beide ministers van plan zijn de pogingen om de van cocaïnehandel verdachte Bouterse aan te houden door te zetten; of zij dit serieuzer zullen aanpakken dan de huidige minister Van Mierlo volgens het CDA heeft gedaan; en of er zaken uit het dossier-Bouterse zijn die de Kamer alsnog dient te weten.

Met dit laatste doelt het CDA op een publicatie in NRC Handelsblad over een verhoor dat de officier van justitie C. van der Voort op 16 juli onderging bij de rechter-commissaris. De officier die het onderzoek tegen Bouterse leidde verklaarde toen dat niet alleen in juli 1997, zoals eerder bekend werd, maar ook al een half jaar eerder het OM van de ministerraad een verbod kreeg om de arrestatie van Desi Bouterse in Brazilië te vragen.

Demissionair minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) weigerde onlangs in antwoord op schriftelijke vragen van de Kamerleden Hillen en Ardenne over de recente reizen van de Surinaamse adviseur van staat in het Caribisch gebied in te gaan op de manier waarop Nederland probeert achter de verblijfplaats van Bouterse te komen. Wel zei hij bereid te zijn de Kamer vertrouwelijk te informeren.

Het Kamerlid Hillen wil de nieuwe minister Van Aartsen aan deze toezeging houden. Hij heeft er begrip voor dat Buitenlandse Zaken en Justitie Bouterse niet wijzer willen maken dan hij al is.

“Absoluut beneden peil” vindt hij het commentaar van Van Mierlo op zijn vragen over mogelijke politieke inmenging in het vervolgingsbeleid tegen Bouterse. Van Mierlo ontkent glashard dat hiervan sprake is geweest en hekelt de “lichtvaardige” manier waarop de christen-democraat “onjuiste uitspraken over de geloofwaardigheid van de Nederlandse rechtsstaat” tot de zijne maakt. De “denigrerende strekking en toon” van de vragen doen volgens Van Mierlo niet onder voor “de uitspraken die we gewend zijn regelmatig uit de mond van de heer Bouterse te vernemen”.

Hillen hoopt van het duo Van Aartsen-Korthals een “rechtlijniger” en “duidelijker” standpunt over de kwestie-Bouterse te vernemen dan Van Mierlo volgens hem heeft getoond. Hillen verwacht overigens niet dat het nieuwe kabinet de pogingen om Bouterse aan te houden zal staken.