Hoe het belastingplan de inkomensverdeling zal veranderen; De Parade van Paars

In 1971 bedacht de econoom Jan Pen een manier om de inkomensverdeling weer te geven: de Parade van Pen. Het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting (Nibud) heeft nu uitgerekend hoe de Parade er uitziet als de effecten worden berekend van de belastingherziening die paars II tot stand wil brengen.

Voor een volledige uitwerking van de inkomenseffecten van paars II kunt u terecht op de Internetpagina van het Nibud. Het adres luidt: http://www.nibud.nl

In de tijden van Armands “Ben ik te min, omdat jouw vader in een grotere kar rijdt dan de mijne” (FNV'er Wim Kok reed toen in een Opel Kadet) steeg de welvaart van wat Den Uyl 'kleine mensen' noemde sneller dan die van anderen. In het no-nonsense-tijdperk van Lubbers, toen ondernemers spraken van de “BV Nederland, waar winst geen vies woord meer is”, bleven dezelfde mensen juist achter bij de rest van Nederland.

'Nivellering' (het verkleinen van inkomensverschillen) of 'denivellering'' (het vergroten van inkomensverschillen) geldt nog altijd als een scheidslijn tussen 'links' en 'rechts', die ook bij de verkiezingsstrijd weer in beeld kwam. Ook al zitten in het tijdperk-Kok, dat maandag met de bordesfoto van de ministersploeg definitief zijn tweede periode ingaat, de PvdA en de VVD heel wat dichter bij het midden dan in de tijd van Den Uyl en Wiegel.

De belastingherziening die paars II in petto heeft, is door politieke waarnemers dan ook bekeken als een politieke winst- en verliesrekening voor met name de PvdA en de VVD. De verwachting is dat de drie paarse partijen in de Tweede Kamer nog wel een stevig robbertje zullen vechten over de definitieve vorm van het belastingplan, dat het paradepaardje van het tweede kabinet-Kok moet worden. Het politieke klimaat waarin 'koopkrachtplaatjes' tot achter de komma worden doorgerekend en internationaal gezien een unieke status genieten, maakt dat de inkomenseffecten voor de verschillende bevolkingsgroepen de inzet van het politieke debat worden.

Welke bevolkingsgroepen gaan er straks het meest op vooruit? De mensen met een lager inkomen, de natuurlijke achterban van de PvdA? De mensen met een hoger inkomen, de traditionele aanhangers van de VVD? Of de mensen met een zogenoemd middeninkomen? Juist deze laatste groep werd in verkiezingstijd door alledrie de paarse partijen gekoesterd, omdat die in Nederland nu eenmaal het grootst is.

Het zijn de lagere inkomens die het meest profiteren, vindt PvdA-staatssecretaris Vermeend (Financiën), met minister Zalm de bedenker van het belastingplan. De hogere inkomens, vinden talloze critici, onder wie belastingdeskundigen als de economen Zwemmer en Pen.

“Wat Vermeend doet met die vermogensrendementsheffing komt in wezen neer op een fiscale faciliteit voor hen die excessieve vermogenswinsten maken”, stelde Zwemmer onlangs in Vrij Nederland. “We praten dan over de zéér rijken.”

In feite zijn het zowel de lagere als de hogere inkomens die er het meest op vooruit gaan, leert het Centraal Plan Bureau (CPB), de nationale rekenmeester, die voor het regeerakkoord de inkomenseffecten heeft doorgerekend. Als in 2001 het belastingplan wordt ingevoerd profiteren de middeninkomens het minst van de belastingverlaging, waarvoor 4,5 miljard gulden wordt uitgetrokken. Recente berekeningen van het MHP, het vakverbond voor hoger personeel dat doorgaans de wat betere middeninkomens geniet, bevestigen dat beeld van de achterblijvende middenklasse.

De middenklasse is in Nederland echter een zeer brede groep, die loopt van de geschoolde arbeider tot de universitair hoofddocent. Een klasse die in de statistieken niet is terug te vinden, maar toch de ruggengraat van de samenleving vormt; “een politieke categorie en een sentiment tegelijk”, zoals deze krant onlangs schreef. Voor de PvdA is de middenklasse alles tussen minimumloon en modaal, ofwel de inkomens tussen 30.000 en 50.000 gulden, bijna twee miljoen huishoudens. Voor de VVD liggen de middeninkomens tussen één en tweeënhalf keer modaal, grofweg de bruto-inkomens tussen 50.000 en 125.000 gulden: zo'n 2,5 miljoen huishoudens.

De vraag is dan ook: welke mensen uit de middenklasse gaan er het minst op vooruit? Of het meest?

Het Nibud brengt daarin vandaag helderheid en het antwoord heeft de typische geur van het compromis: de middelste middeninkomens profiteren het minst van de belastingverlaging. Bij alleenstaanden met een inkomen tot 42.500 gulden neemt de koopkracht met meer dan 6 procent toe, daarboven gaat het minder hard, met als grote verliezer degenen met een inkomen van 62.500 gulden (3,49 procent). Vandaar kruipt de koopkrachtwinst langzaam omhoog om bij een inkomen van 90.000 gulden weer boven de 6 procent te schieten.

Het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting, zoals het Nibud voluit heet, geniet grote bekendheid door zijn berekeningen van de besteedbare inkomens van bijvoorbeeld beursstudenten. Nu heeft het Nibud geprobeerd na te gaan hoeveel alle mensen met een inkomen netto overhouden aan de grootscheepse belastingherziening in de volgende eeuw. De tariefsverlaging, het sneuvelen van aftrekposten, de inkomenstoeslagen, de heffingen op vermogenswinsten zijn met de huidige premies en andere vaste laten doorberekend op de veranderingen van de koopkracht.

Dat het Nibud daarbij verfijnder aangeeft wie de winnaars en verliezers van het belastingplan zijn dan het CPB, heeft alles te maken met de gevolgde methode. Omdat nog veel onzeker is beperkt het CPB zich tot een betrekkelijk globale berekening van enkele inkomensgroepen en houdt het planbureau er bovendien rekening mee dat pas in 2001 sprake is van een nieuw belastingstelsel. Het Nibud heeft tientallen bruto-inkomens naast elkaar gezet en doorgerekend alsof de nieuwe maatregelen nu al van kracht zouden zijn.

Het Nibud creëert hiermee een 'schijnwerkelijkheid', die de werkelijkheid niet beter weergeeft dan het model van het CPB. Wel maken de verfijning en de rijkdom aan details in de Nibud-berekeningen het veel makkelijker om de gevolgen voor individuele gevallen, van kapster tot grootaandeelhouder, na te gaan. Met de Nibud-gegevens kan zelfs een soort nieuwe Parade van Pen worden gemaakt.

De econoom Jan Pen bedacht in 1971 een geheel nieuwe manier om de inkomensverdeling in Nederland weer te geven. Zijn methode ademt dan ook het nivelleringsdenken van de jaren zeventig, maar is in aangepaste vorm wel overgenomen door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om te laten zien hoe in Nederland de welvaart is verdeeld.

Stel, zo bepaalde Pen, het gemiddelde bruto-inkomen van de Nederlander gelijk aan de gemiddelde lengte, toen nog 1.70 meter. Laat vervolgens allen die onder dat gemiddelde zitten krimpen, en allen die daarbovenuit komen uitrekken. Creëer kortom inkomensdwergen en inkomensreuzen.

Pen stelde voor de ruim elf miljoen Nederlanders die inkomen genieten in een uur aan het oog van de toeschouwer voorbij te laten trekken (“dat wordt rennen”). Op deze manier ontstaat een merkwaardige parade, die begint met mensen die met hun voeten de verkeerde kant op lopen en met hun hoofd diep onder de grond zitten (negatief inkomen van bijvoorbeeld ondernemers die verlies hebben geleden), lange tijd een stoet van dwergen kleiner dan een meter toont, en eindigt met reuzen van enkele kilometers lengte (industriëlen met miljoeneninkomens). De rij met kleintjes neemt al gauw meer dan de helft van de parade in beslag, de middenmoot duurt slechts een kwartier en de reuzen zijn in een flits voorbij.

De parade van het Nibud is niet veel anders van samenstelling dan de parade van Pen. Het aantal dwergen, middenmoters en reuzen is ongeveer hetzelfde en ze wisselen ook niet van plaats. Wie goed kijkt ziet echter wel dat bij de deelnemers aan de parade de lengtes flink zijn gewijzigd. Enkele dwergen zijn gegroeid, ook blijven ze klein, sommigen reuzen zijn wat gekrompen en alleen de mensen met een min of meer gemiddelde lengte zijn maar enkele centimeters gegroeid.

Volgens Zalm en Vermeend verandert er in het netto-inkomen van de mensen nagenoeg niets onder het nieuwe belastingregime en zorgt 4,5 miljard gulden 'smeergeld' dat de koopkracht behouden blijft. De manier waarop in de toekomst belasting wordt geheven, maakt echter dat de individuele verschillen groot zijn. “Er verschuift van alles, wat het zicht op de inkomensverdeling belemmert”, stelde Pen onlangs in het economenblad ESB, maar de Nibud-berekeningen geven in elk geval enige helderheid.

Onder het motto 'verbreding, verschuiving, vergroening' dalen straks over de hele linie de belastingtarieven, maar sneuvelen talloze aftrekposten. Waar vermogenswinsten nu volledig onbelast zijn, komt er straks een vermogensrendementsheffing. De belastingvrije som sneuvelt en wordt vervangen door (lagere) heffingskortingen en een toeslag voor werkenden. Er wordt over meer zaken belasting geheven.

Voor individuele burgers kunnen de veranderingen zeer verschillend uitpakken. In een willekeurige straat kan een buurtbewoner plotseling kleiner worden dan zijn tot dan toe kortere buurman, omdat hij jarenlang de hoge rentebetalingen op zijn persoonlijke leningen voor de auto aftrok van de belasting en dat niet meer kan.

De kapster in de parade groeit van 69,9 naar 77,9 centimeter, doordat zij maxiaal profiteert van de tariefsverlaging en de toeslag voor werkenden. Philips-topman Boonstra profiteert weer meer van de tariefsverlaging dan collega's die hun belastbaar inkomen drukten met een hypotheekrenteaftrek, en groeit van 54 tot 63 meter.

Ondanks de individuele verschillen is in de parade wel een patroon zichtbaar. De reuzen van Pen blazen zich dankzij de nieuwe paarse inkomensplannen nog eens extra op, doordat zij maximaal profiteren van de verlaging van het hoogste belastingtarief. De dwergen maken een sprongetje, doordat mensen met een lager inkomen naar verhouding flink hun voordeel doen met het nieuwe laagste tarief en de werkenden onder hen met de toeslag van 1.500 gulden. Hoe lager het inkomen in guldens, des te groter het effect van de toeslag op het besteedbaar inkomen.

Naarmate de inkomens stijgen profiteren de genieters ervan naar verhouding minder van die toeslag. De hypotheekrenteaftrek bijvoorbeeld, waarmee veel meer mensen met een middeninkomen dan met een laag inkomen het belastbare inkomen drukken, maakt dat de toekomstige tariefsverlaging minder spectaculair oogt. Pas als het inkomen verder oploopt, tikt de tariefsverlaging aan. Zo, en bijvoorbeeld ook door het verdwijnen van de aftrekbaarheid van bijvoorbeeld consumentenkrediet, ziet de middenklasse zijn inkomen het minst stijgen.

De middenklasse is de categorie Nederlanders wier inkomen volgens het geldende politieke vocabulaire “niet mag worden aangetast”. Maar in de Parade van Paars lossen de middeninkomens op in de menigte en groeien zij maar enkele haren.

Hoofdpunten uit belastingplan van paars

De belastingvrije som van 8.617 gulden (het dubbele voor kostwinners) wordt onder Paars 2 afgeschaft. In plaats daarvan krijgt iedereen individueel een heffingskorting van 3.000 gulden per jaar, ouderen krijgen een korting van 1.500 gulden. Werkenden krijgen bovendien nog een extra korting van 1.500 gulden. De belastingtarieven gaan namelijk omlaag en de eerste belastingschijf wordt in tweeën 'geknipt'. De nieuwe belastingtarieven worden ongeveer als volgt: de eerste schijf, tot 31.000 gulden, 32 procent; de tweede schijf, tot 52.000 gulden, 36 procent; de derde schijf, tot 108.000 gulden, 42 procent en de vierde schijf, boven 108.000 gulden, 52 procent.

De huidige vermogensbelasting (jaarlijks 0,7 procent over het totale vermogen) wordt afgeschaft. In plaats daarvan komt er 30 procent belasting op een forfaitair rendement van 4 procent op beleggingen en bezittingen: 1,2 procent dus. Ook grootaandeelhouders gaan dat betalen.

De hypotheekaftrek voor het tweede huis wordt afgeschaft; het tweede huis geldt voortaan als vermogen. Ook komt er een einde aan allerlei fiscale hypotheken waarbij met geleend geld kan worden belegd op de beurs (de rente is nu nog aftrekbaar, terwijl de opbrengst onbelast is). De spaarhyptoheek blijft wel bestaan, omdat het geleende geld daarbij blijft zitten in het eigen huis. Rente op consumptief krediet is straks niet langer aftrekbaar.

De aftrek van premies voor lijfrentes wordt beperkt, net als die van reis- en beroepskosten (tot 1.200 gulden).

Het btw-tarief wordt verhoogd van 17,5 tot 19 procent.

De eco-tax wordt verdubbeld, zodat energie maandelijks enkele guldens duurder wordt.