Albanië wordt de oorlog 'ingezogen'

Albanië uit zich steeds radicaler over de crisis in Kosovo. Het is een uit wanhoop geboren radicalisme: de oorlog over de grens escaleert en dreigt Albanië mee te sleuren, met nieuw binnenlands geweld als mogelijk gevolg.

ROTTERDAM, 22 JULI. Tot voor kort liep Albanië op eieren waar het de crisis in Kosovo betrof: Tirana pleitte voor herstel van de rechten van de volksgenoten in Kosovo, zonder het regime in Belgrado al te nadrukkelijk tegen de haren in te strijken of (sinds kort) de schijn te wekken het radicalisme en het geweld van het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK) aan te moedigen.

Deze week is dat beleid abrupt bijgesteld. Nu onderbreekt de Albanese televisie zelfs programma's om communiqués van het UÇK voor te lezen. Zondag bepleitte minister van Buitenlandse Zaken Paskal Milo NAVO-bombardementen tegen de Serviërs en betuigde hij ongekwalificeerde steun aan het UÇK. Maandag ging hij nog verder door te zeggen dat als het bloedvergieten doorgaat, Albanië “geen keus heeft dan de etnische broeders in Kosovo aan te moedigen tot verzet”.

Het nieuwe radicalisme is geboren uit wanhoop: de oorlog in Kosovo wordt steeds meer een bedreiging van de binnenlandse stabiliteit in Albanië zelf. Die dreiging zuigt Albanië de oorlog binnen, nota bene aan de kant van een organisatie, het UÇK, waarvan het zowel het doel (een 'Groot-Albanië', bestaande uit Albanië, Kosovo en westelijk Macedonië) als de middelen (geweld) afwijst.

Toen bijna een jaar geleden de socialistische regering van premier Fatos Nano aan de macht kwam stond ze voor de taak het land weer op te bouwen na maanden van complete anarchie. De legerdepots waren geplunderd en een miljoen wapens waren gestolen. Politie en leger waren uiteengevallen, staatsstructuren ontmanteld, gevangenen ontsnapt, de economie was ingestort en in vele steden maakten lokale bandieten de dienst uit. Van centraal gezag was geen sprake meer.

In het kader van de wederopbouw van het land trachtte Nano de relaties met de buurlanden Griekenland en Joegoslavië te verbeteren. Hij gebruikte de top van Balkanleiders op Kreta in november om een dialoog met de Joegoslavische president Slobodan Miloševic op gang te brengen. Het was een loffelijk en goedbedoeld initiatief - maar het was ook een misrekening met grote consequenties. Op Kreta maakte Miloševic namelijk duidelijk helemaal geen prijs te stellen op een verbetering van de samenwerking met Tirana.

De misrekening van Nano had, zo menen sommige analisten, twee zwaarwegende gevolgen. In de eerste plaats interpreteerde Miloševic het initiatief van de Albanese premier als een teken van zwakte. En daarop reageerde Miloševic zoals hij er altijd op reageert, met een beleid van confrontatie.

Erger: de Albanezen van Kosovo zagen het initiatief van Nano als een vorm van verraad. De toenadering tot Belgrado die Nano zocht kon niets anders zijn dan een verkwanseling van de belangen van de Albanezen in Kosovo. Dat vond ook de binnenlandse oppositie in Albanië, geleid door de volstrekt onverzoenlijke ex-president Sali Berisha. Hij kon zich dankzij Nano's misrekening opwerpen als de kampioen van het Albanese nationalisme en Nano afschilderen als een verrader die aanpapt met uitgerekend de Albanezenvreter Miloševic, de man die tien jaar geleden zijn politieke legitimiteit als leider van Servië vestigde op de ontmanteling van de rechten van de Albanezen in Kosovo.

Luttele maanden na de top van Kreta ontketende de Servische politie een groot en bloedig offensief tegen het op dat moment nog tamelijk onbetekenende UÇK. Dat radicaliseerde de Kosovaren en bracht een spiraal van geweld op gang: etnische zuiveringen en repressie brachten duizenden Albanezen ertoe zich aan te sluiten bij het UÇK, dat sterker en brutaler werd. De strijd escaleerde en heeft geleid tot situaties waardoor Albanië steeds meer bij de oorlog wordt betrokken. Noord-Albanië wordt overstroomd door vluchtelingen, en het UÇK gebruikt het gebied als springplank voor massa-infiltraties en wapensmokkel - hetgeen de Serviërs tot beschietingen op Albanees grondgebied en grensschendingen provoceert.

De Serviërs beschuldigen Tirana van steun aan het UÇK in het noorden. De werkelijkheid is dat Tirana nooit enige greep heeft gehad op wat zich in het noorden van Albanië afspeelt. Noord-Albanië is een niemandsland. Àls de Noord-Albanezen al een politicus steunen, is het Sali Berisha, Nano's doodsvijand. Maar ook Berisha heeft het er niet voor het zeggen: in dit onherbergzame, straatarme gebied van bloedvetes en eeuwenoude eigen wetten en regels, dit gebied van clans en stammen, heerst anarchie. Clanleiders, bandieten, smokkelaars, corrupte lokale leiders en krijgsheren komen er alleen op voor zichzelf, de eigen clan, het eigen dal en het eigen dorp. Zo is het altijd geweest en zo is het nog. Zelfs een stad als Shkodër, waar negentig procent van de bevolking werkloos is en waar men uitsluitend leeft van smokkel naar Montenegro, onttrekt zich geheel aan de controle van de regering. Het Albanese leger kan de grens niet beschermen tegen de Serviërs die hem schenden, noch tegen het UÇK dat doet of die grens niet bestaat en dat Noord-Albanië als veilig toevluchtsoord, schakel in de wapensmokkel en trainingsgebied gebruikt. Het leger kan hooguit hopen de anarchie tot het noorden te beperken.

Om die reden wil de Albanese regering de vluchtelingen uit Kosovo in het noorden houden in plaats van hen over te brengen naar minder onherbergzame regio's elders: daar zou hun aanwezigheid immers kunnen leiden tot een radicalisering van de bevolking in gebieden waar Tirana nu nog kan doen alsof de oorlog ver weg plaatsvindt. Bovendien zouden de vluchtelingen vanuit Midden- of Zuid-Albanië kunnen proberen massaal richting Italië te vertrekken. Nu al duiken steeds meer Kosovaren op op Italië's stranden.

Maar de aanwezigheid van verdreven Kosovaren in het noorden brengt ook problemen met zich mee, humanitaire wegens de ontoegankelijkheid van het gebied, maar ook politieke: het noorden kan zich nog verder van de regering in Tirana afkeren, kan nog verder radicaliseren. En ruim een jaar na de golf van anarchie in Albanië zelf is er in dat land niet zoveel voor nodig om de vlam opnieuw in de pan te jagen.